Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 juli 2021 in de zaak tussen
[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: A. de Vries).
Rechtbank Noord-Nederland
De voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Nederland behandelde op 22 juli 2021 het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de sluiting van een woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Verzoeker betoogde dat door de sluiting de verzorging van zijn bejaarde en zieke moeder niet meer mogelijk zou zijn, maar de moeder woont in een ander woongedeelte dan de te sluiten woning.
Uit het politieonderzoek bleek dat in het woongedeelte van verzoeker aanzienlijke hoeveelheden hennep en amfetamine werden aangetroffen, evenals verpakkingsmateriaal en weegschalen. Diverse getuigen verklaarden regelmatig drugs te hebben gekocht bij verzoeker, die zelf toegaf wiet te verkopen en te verbouwen. Verweerder legde op basis hiervan een last onder bestuursdwang op tot sluiting van het woongedeelte voor zes maanden.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het besluit zorgvuldig was voorbereid en dat de sluiting gerechtvaardigd was vanwege de ernstige drugshandel. De belangen van de openbare orde en veiligheid wegen zwaarder dan de door verzoeker aangevoerde persoonlijke omstandigheden. De zorg voor de moeder kan ook buiten het gesloten woongedeelte worden voortgezet, en opname in een verzorgingstehuis is niet aannemelijk.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de woningsluiting wegens drugshandel wordt afgewezen.