Eiser vordert in kort geding terugbetaling van een bedrag van € 4.389,05 vermeend onterecht ingehouden onder de beslagvrije voet door de gerechtsdeurwaarder. Het beslag was gelegd op zijn AOW-uitkering, waarbij de beslagvrije voet aanvankelijk werd vastgesteld op € 399,23 per maand. Na diverse verzoeken tot herberekening en overleg werd de beslagvrije voet in december 2019 aangepast naar € 664,09 per maand, met terugwerkende kracht. Eiser stelt dat de gerechtsdeurwaarder vanaf januari 2018 al over voldoende gegevens beschikte om de beslagvrije voet correct vast te stellen en dat de deurwaarder onrechtmatig heeft gehandeld door dit niet te doen.
De gerechtsdeurwaarder betwist de vordering en voert aan dat de kantonrechter bevoegd is voor het executiegeschil, dat geen spoedeisend belang bestaat en dat de beslagvrije voet pas in december 2019 kon worden aangepast omdat toen alle benodigde gegevens beschikbaar waren. Tevens stelt de deurwaarder dat eiser geen schade heeft geleden omdat de ingehouden bedragen zijn gebruikt voor schuldenaflossing.
De voorzieningenrechter oordeelt dat geen sprake is van een executiegeschil en dat terughoudendheid geboden is bij vorderingen tot betaling in kort geding. Eiser heeft onvoldoende concreet en onderbouwd aangetoond dat de gerechtsdeurwaarder eerder over alle benodigde gegevens beschikte om de beslagvrije voet correct vast te stellen. De herberekening in december 2019 betekent niet dat de eerdere vaststelling onjuist was. De vordering wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.