De officier van justitie vorderde op 20 juli 2021 dat de rechtbank het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vaststelt en veroordeelde verplicht tot betaling van €164.773 aan de staat. De zitting vond plaats op 31 augustus 2021 met aanwezigheid van de officier van justitie, veroordeelde en zijn raadsvrouw.
De verdediging stelde primair dat het OM niet ontvankelijk was en subsidiair dat de vordering afgewezen moest worden, verwijzend naar vaste jurisprudentie dat het bewezenverklaarde witwassen niet automatisch gelijkstaat aan wederrechtelijk verkregen voordeel. Volgens hen was niet aannemelijk dat veroordeelde daadwerkelijk voordeel had genoten uit het witwassen.
De rechtbank oordeelde dat, ondanks dat vermogensbestanddelen uit witwassen niet per definitie wederrechtelijk voordeel zijn, artikel 36e, derde lid, Sr toestaat voordeel te ontnemen indien aannemelijk is dat andere strafbare feiten tot voordeel hebben geleid. Gezien het ontbreken van legale inkomsten en andere verklaringen achtte de rechtbank het aannemelijk dat veroordeelde zijn uitgaven enkel kon doen met geld uit strafbare feiten.
Op basis van een kasopstelling uit een rapport van de politie Noord-Nederland werd het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op €164.773. De rechtbank legde veroordeelde de verplichting op dit bedrag aan de staat te betalen en bepaalde de maximale gijzelingstermijn op 1080 dagen.