ECLI:NL:RBNNE:2021:4108

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
27 mei 2021
Publicatiedatum
23 september 2021
Zaaknummer
LEE 21/1334
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b OpiumwetArt. 3a lid 5 OpiumwetArt. 4:84 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen woningsluiting wegens hennepkwekerij en handel in harddrugs

Op 10 februari 2021 trof de politie in een woning een hennepkwekerij met 250 planten en 6,39 gram amfetamine aan, alsmede diefstal van stroom. De burgemeester legde op grond van artikel 13b Opiumwet een last onder bestuursdwang op tot sluiting van de woning voor twaalf maanden. Verzoeker, huurder van de woning, maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter overwoog dat de burgemeester bevoegd was tot het opleggen van de last onder bestuursdwang en dat de aangetroffen hoeveelheid amfetamine als handelshoeveelheid moest worden aangemerkt. Ook was sprake van handel in soft- en harddrugs vanuit de woning. Het beleid van de gemeente Het Hogeland, gebaseerd op het Damoclesbeleid, voorziet bij dergelijke feiten in sluiting tot twaalf maanden.

Verzoeker voerde persoonlijke omstandigheden aan, waaronder verlies van familieleden, therapie, financiële problemen en huisdieren, die volgens hem tot een lichtere sanctie moesten leiden. De voorzieningenrechter oordeelde dat deze omstandigheden niet zodanig waren dat zij afwijken van het beleid rechtvaardigden. Ook verwees hij naar een ander geval in een andere gemeente dat niet vergelijkbaar was.

De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af en bevestigde daarmee de sluiting van de woning voor twaalf maanden. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van de woning wegens drugshandel wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 21/1334

uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 mei 2021 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker(gemachtigde: mr. E. van der Meer),

en

de burgemeester van de gemeente Het Hogeland, verweerder(gemachtigde: mr. F.A. Sijtsma).

Procesverloop

In het besluit van 13 april 2021 heeft verweerder aan verzoeker een last onder bestuursdwang opgelegd, inhoudende dat zijn woning op het adres [adres] (hierna: de woning) met ingang van 29 april 2021, nadien gewijzigd in 11 mei 2021, voor een periode van twaalf maanden wordt gesloten.
Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft laten weten dat de sluiting wordt opgeschort tot na de uitspraak van de voorzieningenrechter.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2021. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. P. Koopmans als waarnemer voor zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door P. Engelsman en W. Foekens.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2.1.
Op 10 februari 2021 heeft de politie Noord-Nederland na een melding een hennepkwekerij aangetroffen in de woning op de zolder. De kwekerij bestond uit 250 hennepplanten, 10 armaturen, 10 assimilatielampen, 1 snelheidsregelaar, 1 transformator,
1 koolstoffilters, 1 slakkenhuis, 2 ventilatoren, 1 opticlimate, 2 kachels, 1 temperatuurventilatieregelaar, 2 dompelpompen, 1 tuinslang, 10 blikken groeimiddel, 13 scharen en 3 droognetten.
Daarnaast is 6,39 gram amfetamine aangetroffen. Tevens is diefstal van stroom geconstateerd.
2.2.
Verzoeker is huurder van de woning.
3. Ingevolge artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.
3.1.
Hennep is opgenomen in lijst II van de Opiumwet. Amfetamine is opgenomen in lijst I van de Opiumwet.
4. Niet is in geschil dat verweerder gezien het aantreffen van de middelen opgenomen in lijst II van de Opiumwet bevoegd is tot het opleggen van een last onder bestuursdwang. Wel is in geschil of deze last een sluiting in moet houden dan wel dat verweerder kan volstaan met een waarschuwing of last onder dwangsom, ook gezien de door verzoeker aangevoerde persoonlijke omstandigheden.
5. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder toegelicht dat in de fusiegemeente Het Hogeland vooralsnog het beleid van de verschillende rechtsvoorgangers wordt gehanteerd. In dit geval gaat het om het Damoclesbeleid van de gemeente De Marne. Er zijn geen gronden aangevoerd tegen de toepassing van dit beleid.
5.1.
In paragraaf 5.3 van bovengenoemd beleid is onder meer bepaald dat bij handel in softdrugs, in de vorm van als handelshoeveelheid aan te merken hennepteelt, een sanctie wordt opgelegd die varieert van een waarschuwing tot een sluiting voor een duur van maximaal 6 maanden. Bij handel in harddrugs wordt een sanctie opgelegd die varieert van een waarschuwing tot een sluiting voor een duur van maximaal 12 maanden.
Tevens is in deze paragraaf opgenomen dat als uitgangspunt geldt dat de hiervoor genoemde maximumsanctie wordt opgelegd, tenzij naar het oordeel van de burgemeester de omstandigheden van het concrete geval nopen tot het opleggen van een lichtere sanctie.
5.2.
Omdat in dit geval een hennepkwekerij en een handelshoeveelheid harddrugs zijn aangetroffen, is de opgelegde last onder dwangsom, inhoudende sluiting gedurende twaalf maanden, in overeenstemming met het beleid. De voorzieningenrechter merkt op dat de stelling van verzoeker dat de amfetamine voor eigen gebruik was, geen reden vormt om de hoeveelheid van 6,39 gram niet als een handelshoeveelheid aan te merken. Verweerder heeft voorts onweersproken naar voren gebracht dat in de telefoon van verzoeker gesprekken met anderen zijn gevonden over de levering, door verzoeker, van wiet en pep aan die anderen. Vanuit de woning vond dus handel plaats in zowel softdrugs als harddrugs.
6. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) noemt in de overzichtsuitspraak van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912, als uitgangspunt dat als in een woning een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen, aangenomen mag worden dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel, hetgeen op zichzelf al een belang bij sluiting oplevert, ook als ter plaatse geen overlast of feitelijke drugshandel is geconstateerd.
6.1.
Gezien de omvang van de hennepkwekerij heeft verweerder, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, van dit uitgangspunt niet hoeven afwijken. In het bestreden besluit verwijst verweerder naar de verklaring van verzoeker dat het plaatsen en verzorgen van de hennepkwekerij door een ander is gedaan, evenals het aanleggen en aftappen van de stroomvoorziening. Van de opbrengst zou verzoeker een kwartdeel krijgen. Daaruit volgt dat de kwekerij deel uitmaakte van een keten van drugshandel. Daarnaast (zie 5.3) is onderbouwd dat verzoeker vanuit het huis handelde in softdrugs en harddrugs.
7. Verzoeker stelt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht die nopen tot afwijking van de beleidsregel, te weten dat zijn beste vriend door een misdrijf om het leven is gekomen, dat zijn broer en zus zijn overleden, dat hij niet elders onderdak kan vinden, ook niet voor zijn hond en 40 kostbare vissen, dat hij in therapie is en dat het welslagen daarvan belemmerd wordt als hij dakloos wordt, dat hij wegens onder meer financiële problemen onder bewind staat en dat ook hiervoor geldt dat hij deze problemen nog moeilijker kan oplossen als hij dakloos wordt. Verder wordt hij overspannen van de hele toestand, met fouten op zijn werk als gevolg, en wil hij graag in de buurt blijven waar hij nu woont.
7.1.
Dat een woningsluiting met zich brengt dat de betrokkene nieuwe woonruimte moet zoeken, eventueel ook voor huisdieren, en dat dit problematisch kan zijn, is een feit van algemene bekendheid. Dit gevolg is door verweerder bij het opstellen van het beleid ook meegenomen. De gestelde gevolgen voor de woonsituatie van verzoeker zijn niet van dien aard dat deze te buiten gaan wat in het beleid is verdisconteerd.
7.2.
Voor de andere genoemde persoonlijke omstandigheden geldt dat deze los staan van de vraag of verzoeker wel of niet de komende tijd in deze woning kan verblijven: zij binden hem niet aan de woning. Het zijn dus geen omstandigheden die aan de sluiting in de weg staan. Van belang is in dit verband ook dat verweerder te kennen heeft gegeven met verzoeker mee te willen denken om de gevolgen van de sluiting niet onnodig groot te laten zijn en daartoe ook al contact met verzoeker heeft gehad.
7.3.
Verzoeker heeft gewezen op een ander geval waarin de burgemeester van Groningen in verband met de situatie rond SARS-CoV-2 van sluiting heeft afgezien.
De voorzieningenrechter overweegt dat dit besluit is genomen door een ander bestuursorgaan van een andere gemeente, dat de situatie toentertijd rond het virus nog maar net was ontstaan en dat niet is gebleken dat de persoonlijke omstandigheden in die zaak vergelijkbaar waren met die van verzoeker. Verweerder heeft in dat andere geval dus geen aanleiding hoeven te zien om in deze zaak sluiting achterwege te laten.
7.4.
Het voorgaande betekent dat er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid als hierboven bedoeld.
8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Dijkstra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid vanmr. H.A. Hulst, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2021.
griffier voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.