ECLI:NL:RBNNE:2021:4291

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
28 september 2021
Publicatiedatum
6 oktober 2021
Zaaknummer
17/080295-99
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38d SrArt. 38e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging terbeschikkingstelling wegens uitblijven behandelresultaat en hoog recidiverisico

De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 28 september 2021 het verzoek van de officier van justitie tot verlenging van de terbeschikkingstelling (tbs) van een veroordeelde die sinds 2005 in verschillende tbs-klinieken verbleef. De tbs werd opgelegd na een veroordeling wegens ontucht met minderjarige meisjes en was reeds meerdere malen verlengd, laatstelijk in 2019.

De instelling waar veroordeelde verblijft, heeft geadviseerd de tbs met twee jaar te verlengen vanwege het uitblijven van enig behandelresultaat, het ontbreken van intrinsiek probleembesef en de hoge risico’s op ontvluchting en recidive. Veroordeelde weigert mee te werken aan behandeling en ontkent het delict waarvoor de tbs is opgelegd, hoewel hij eerdere ontuchtige handelingen erkent.

De rechtbank weegt mee dat de LFPZ-status is toegekend vanwege het gebrek aan motivatie en onbetrouwbaar gedrag van veroordeelde. Ondanks het ontbreken van perspectief op behandeling zonder medewerking, acht de rechtbank verlenging noodzakelijk ter bescherming van de algemene veiligheid. Het verzoek van de verdediging om de verlenging te beperken tot één jaar wordt afgewezen, mede omdat de behandeling waarschijnlijk meer tijd zal vergen dan één jaar.

De rechtbank verlengt de tbs-maatregel met twee jaar en benadrukt dat het herzieningsverzoek bij de Hoge Raad een aparte procedure betreft die losstaat van deze verlengingszaak.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de terbeschikkingstelling van veroordeelde met twee jaar wegens het ontbreken van behandelresultaat en het hoge risico op recidive.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 17/080295-99
beslissing van de meervoudige kamer van 28 september 2021 op een vordering van de officier van justitie tot verlenging van de termijn van terbeschikkingstelling
in de zaak tegen

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] 1953 te [geboorteplaats] ,
thans verblijvende in [instelling] ,
hierna te noemen veroordeelde.

Procesverloop

De officier van justitie heeft schriftelijk gevorderd dat de rechtbank de termijn van de terbeschikkingstelling van de veroordeelde zal verlengen met twee jaar.
De behandeling heeft plaatsgevonden op 14 september 2021, waarbij aanwezig waren de veroordeelde, diens raadsman mr. A.R. Ytsma, en de officier van justitie mr. J. Hoekman. De deskundige L. Aa-Van Schijndel, behandelcoördinator en GZ-psycholoog, was via een videoverbinding aanwezig.
De rechtbank heeft acht geslagen op de stukken, waaronder met name het door het plaatsvervangend hoofd van de inrichting ondertekende rapport met advies van 15 juli 2021 van het behandelteam van de instelling waar de veroordeelde van overheidswege wordt verpleegd, alsmede de aantekeningen omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van de veroordeelde.

Motivering

De opgelegde terbeschikkingstelling
Bij arrest van 8 augustus 2003 heeft de het gerechtshof Arnhem veroordeelde wegens het plegen van ontucht met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren ter beschikking gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege.
De terbeschikkingstelling is aangevangen op 21 september 2004 en laatstelijk op 20 december 2019 verlengd met twee jaar.
Het advies van de instelling
In het verlengingsadvies wordt geadviseerd de termijn van de terbeschikkingstelling te verlengen met twee jaar. In dit verlengingsadvies staat onder meer het volgende, zakelijk weergegeven:
Veroordeelde is gediagnosticeerd met een pedofiele stoornis en een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken. Sinds 2005 verblijft hij in verschillende tbs-klinieken. Op 19 maart 2014 werd de status Langdurig Forensisch Psychiatrische Zorg (hierna: LFPZ) toegekend vanwege het uitblijven van enig behandelresultaat, gebrek aan motivatie van veroordeelde om te veranderen en onbetrouwbaar gedrag. Veroordeelde verblijft sinds maart 2015 binnen de LFPZ in Zeeland. Veroordeelde is voornamelijk bezig met het voeren van strijd tegen de tbs-oplegging en de LFPZ-indicatie. Veroordeelde ontkent het delict waarvoor de tbs is opgelegd. Wel erkent hij zich eerder schuldig te hebben gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met minderjarige meisjes. Het intrinsieke probleembesef is afwezig en hij heeft geen zicht op zijn risicofactoren. Hij is nog steeds van mening dat hij niets heeft gedaan tegen de zin van zijn slachtoffers en is van mening dat de slachtoffers zelf hebben ingestemd met de seksuele handelingen. Hij is ervan overtuigd dat hij geen nieuwe delicten meer zal plegen. Hij weigert mee te werken aan enige vorm van behandeling. Op 28 maart 2019 heeft veroordeelde zich onttrokken tijdens een begeleid netwerkverlof naar zijn zoon. Volgens veroordeelde was dit een manier om (media)aandacht te vragen voor zijn zaak. De kliniek heeft op 25 mei 2021 in haar hertoetsingsadvies geadviseerd de LFPZ-status van veroordeelde te verlengen. Het behandelteam ziet vooralsnog geen mogelijkheid voor een nieuwe behandelpoging dan wel overplaatsing naar een setting met een lager beveiligingsniveau. Dit is onderschreven tijdens de zorgconferentie van 18 juli 2019. Er moet eerst gewerkt worden aan het opbouwen van een vertrouwensrelatie en een goede samenwerking binnen de LFPZ alvorens gekeken kan worden naar de (on)mogelijkheden tot uitstroom. De kliniek schat het risico op ontvluchting bij (begeleid) verlof in als hoog. Het risico op recidive in geval van een (voorwaardelijke) beëindiging van de tbs-maatregel wordt eveneens ingeschat als hoog. De kliniek adviseert de termijn van de terbeschikkingstelling met twee jaar te verlengen.
De deskundige L. Aa-Van Schijndel heeft tijdens de zitting van 14 september 2021 het advies bevestigd en nader toegelicht. Deze toelichting houdt - zakelijk weergegeven - in:
De situatie is nog steeds onveranderd. In de LFPZ is geen behandeldruk, maar een behandeling zou wel mogelijk zijn als veroordeelde dat zelf wil. Veroordeelde wil echter niet in gesprek over de risicofactoren. Hij vindt zelf dat hij geen behandeling nodig heeft. Veroordeelde heeft geen probleembesef en toont zich nog steeds onbetrouwbaar. Zo heeft hij bijvoorbeeld via zijn netwerk een brief met ongepaste inhoud naar een oud-stagiaire van de kliniek gestuurd. Veroordeelde heeft nu geen verlof, omdat de verlofmachtiging is ingetrokken na zijn onttrekking in 2019. Voor begeleid verlof is eerst meer zicht nodig op de risicofactoren.
Het standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft gepersisteerd bij zijn vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging met twee jaar.
Het standpunt van de veroordeelde en zijn raadsman
Veroordeelde en zijn raadsman hebben zich niet verzet tegen verlenging van de terbeschikkingstelling, maar de raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verlenging moet worden beperkt tot één jaar. Veroordeelde heeft in de huidige kliniek geen perspectief. Daarom zet de verdediging in op een doorplaatsing naar de longcarevoorziening [instelling] , van de [instelling] in Utrecht. Ook zal er in de loop van 2022 een herzieningsverzoek bij de Hoge Raad worden ingediend, omdat veroordeelde van mening is dat hij ten onrechte is veroordeeld. Over een jaar is er dan weer voldoende materiaal voor een nieuwe beoordeling van zijn terbeschikkingstelling, mede gelet op de uitkomst van deze herzieningsprocedure.
Het oordeel van de rechtbank
Op grond van de inhoud van het verlengingsadvies, de door de deskundige gegeven toelichting en hetgeen overigens uit het onderzoek ter zitting naar voren is gekomen, is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen vereist dat de termijn van de dwangmaatregel wordt verlengd.
Uit het verlengingsadvies en de toelichting ter zitting blijkt dat veroordeelde sinds 2005 in verschillende tbs-klinieken heeft verbleven. Wegens het uitblijven van enig behandelresultaat verblijft hij sinds 2015 in de LPFZ in Zeeland. Ook daar bestaan mogelijkheden voor een behandeling, maar veroordeelde toont geen probleembesef. Ook ter zitting bleek dat uit zijn antwoord op de vraag of hij het ongeoorloofde inzag van het sturen van een brief met een seksueel getinte opmerking aan een oud-stagiaire. Veroordeelde wenst niet mee werken aan een op zijn stoornis gerichte behandeling. De rechtbank begrijpt dat veroordeelde perspectief wil houden op een terugkeer in de samenleving, maar daartoe dient hij wel eerst mee te werken aan het tot stand komen van een behandelrelatie en de daaropvolgende behandeling.
Uitgangspunt in de jurisprudentie van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is dat de terbeschikkingstelling verlengd moet worden met een termijn van twee jaar, wanneer aannemelijk is dat de behandeling meer tijd in beslag zal nemen dan de tijd die resteert bij verlenging van de terbeschikkingstelling met één jaar. De rechtbank is daarom van oordeel dat de termijn van de terbeschikkingstelling dient te worden verlengd met twee jaar. Het is aannemelijk dat de behandeling van veroordeelde - indien en voor zover deze al van de grond komt - meer tijd in beslag zal nemen dan de tijd die resteert bij verlenging met één jaar.
De rechtbank overweegt dat het herzieningsverzoek bij de Hoge Raad een andere procedure is die los staat van de onderhavige verlengingsprocedure.
Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank het verzoek af om de maatregel met één jaar te verlengen.
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 38d en 38e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank verlengt de termijn van de terbeschikkingstelling van veroordeelde met twee jaar.
Deze beslissing is gegeven door mr. M.E. Joha, voorzitter, mr. K. Post en mr. K.A. de Groot, rechters, bijgestaan door K. de Ruiter, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 september 2021.