ECLI:NL:RBNNE:2021:462

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
25 januari 2021
Publicatiedatum
15 februari 2021
Zaaknummer
LEE 20-1851 V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep reclamebelasting 2019

Opposant heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van 21 april 2020 inzake de aanslag reclamebelasting 2019. De rechtbank heeft het beroep op 7 oktober 2020 niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet tijdig was betaald. Hiertegen is verzet ingesteld.

De rechtbank beoordeelt in deze verzetzaak uitsluitend of de niet-ontvankelijkverklaring terecht was. Opposant stelt dat vanwege samenhang slechts eenmaal griffierecht verschuldigd zou zijn voor het beroep namens vijf belanghebbenden. De rechtbank oordeelt echter dat het beroep betrekking heeft op vijf afzonderlijke aanslagen, waardoor voor elk beroep afzonderlijk griffierecht verschuldigd is.

De rechtbank verwijst naar de parlementaire geschiedenis en jurisprudentie van de Hoge Raad die bevestigen dat bij meerdere afzonderlijke besluiten voor elk beroep griffierecht moet worden betaald. Het verzet wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 20/1851 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 januari 2021 op het verzet van

[opposant] , te Harlingen, opposant

(gemachtigde: C.H.M. Veenbrink),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 7 oktober 2020 in het beroep van opposant tegen

de heffingsambtenaar van de gemeente Harlingen, geopposeerde.

Procesverloop

Opposant heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van 21 april 2020 inzake de aanslag reclamebelasting voor het jaar 2019 met kenmerk 46836 (de bestreden uitspraak op bezwaar).
Bij uitspraak van 7 oktober 2020 heeft de rechtbank beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2021. Opposant is niet verschenen. Geopposeerde is eveneens niet verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat het verschuldigde griffierecht niet op tijd is betaald.
2. In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of zij in de uitspraak van 7 oktober 2020 terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. Opposant voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat de gemachtigde van opposant in het beroepschrift namens vijf belanghebbenden beroep heeft ingesteld. Opposant stelt zich op het standpunt dat wegens samenhang eenmaal griffierecht verschuldigd zou moeten zijn.
4. Op grond van het bepaalde in artikel 8:41, eerste lid, van de Awb wordt door de griffier van de indiener van het beroepschrift een griffierecht geheven. Artikel 8:41, tweede lid, van de Awb bepaalt dat het beroep, indien het verschuldigde bedrag van het griffierecht niet of niet tijdig is bijgeschreven of gestort, niet-ontvankelijk wordt verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest. Artikel 8:41, derde lid, eerste volzin, van de Awb, bepaalt dat eenmaal griffierecht verschuldigd is, indien het een beroepschrift tegen twee of meer samenhangende besluiten dan wel van twee of meer indieners tegen hetzelfde besluit betreft. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van met elkaar samenhangende besluiten als bedoeld in artikel 8:41, derde lid, van de Awb. Aan de parlementaire geschiedenis kan worden ontleend dat de wetgever met deze bepaling heeft beoogd dat, indien beroep is ingesteld door twee of meer indieners ter zake van twee of meer besluiten die zijn genomen ten aanzien van hen afzonderlijk, voor de indiening van het beroepschrift door elk van die indieners griffierecht is verschuldigd. Slechts indien twee of meer indieners één beroepschrift indienen ter zake van hetzelfde besluit is eenmaal griffierecht verschuldigd (vgl. Kamerstukken II 1993/94, 23 780, nr. 3, blz. 5 t/m 6, en Kamerstukken II 1994/95, 23 780, nr. 8, blz. 2 t/m 3). In dit verband is met 'indiener' bedoeld degene die voor zichzelf beroep instelt, respectievelijk namens wie beroep wordt ingesteld. In dit geval heeft het beroepschrift betrekking op 5 aanslagen reclamebelasting die aan elk van de 5 indieners afzonderlijk zijn opgelegd. Daardoor kan niet worden gezegd dat de beroepen zich richten tegen hetzelfde besluit en is dus voor elk beroep afzonderlijk griffierecht verschuldigd. (Zie in deze zin Hoge Raad 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO7505.)
5. In wat opposant heeft aangevoerd, ziet de rechtbank dus geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 7 oktober 2020. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak in stand blijft.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van den Bosch, rechter, in aanwezigheid van
A.J. Kinds, griffier op 25 januari 2021. De beslissing wordt in het openbaar uitgesproken op de eerstvolgende maandag na deze datum.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.