ECLI:NL:RBNNE:2021:5069

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
23 november 2021
Publicatiedatum
29 november 2021
Zaaknummer
18-100640-20 ontneming
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na vrijspraak van meerdere feiten

In deze zaak vorderde het openbaar ministerie ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van €240.828,80, waarvan de helft als betalingsverplichting werd voorgesteld. De rechtbank sprak verdachte vrij van feit 1 primair en subsidiair en van feit 2, waardoor het rapport ter berekening van het voordeel gebaseerd op deze feiten niet kon worden gehanteerd.

Op grond van het vonnis in de onderliggende strafzaak werd verdachte schuldig bevonden aan schuldwitwassen van een bedrag van €19.165,-. De rechtbank baseerde de ontnemingsvordering uitsluitend op dit bewezen feit en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen, waaronder bankgegevens die aantonen dat dit bedrag op een bankrekening mede op naam van verdachte is gestort.

De rechtbank concludeerde dat het wederrechtelijk verkregen voordeel bestaat uit de baten minus de kosten, waarbij geen kosten door verdachte waren aangetoond. De betalingsverplichting werd daarom vastgesteld op €19.165,-. De rechtbank wees de overige vordering van het openbaar ministerie af en bepaalde de maximale duur van gijzeling op 383 dagen.

De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Nederland op 23 november 2021, waarbij verdachte werd bijgestaan door een advocaat en het openbaar ministerie werd vertegenwoordigd door een officier van justitie.

Uitkomst: De rechtbank legt een betalingsverplichting van €19.165,- op ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel na vrijspraak van andere feiten.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18-100640-20
beslissing van de meervoudige kamer d.d. 23 november 2021 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
in de zaak tegen

[veroordeelde],

geboren op [geboortedatum] 1955 te [geboorteplaats],
wonende te [straatnaam], [woonplaats],
hierna te noemen: veroordeelde.

Procesverloop

De officier van justitie heeft op 22 oktober 2021 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan de veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van € 240,828,80, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit de zaak met parketnummer 18-100640-20.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 9 november 2021. Veroordeelde is verschenen, bijgestaan door mr. R.P. Snorn, advocaat te Heerenveen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. Homans – De Boer.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel in het dossier als uitgangspunt dient te gelden en dat het voordeel moet worden geschat op € 240.818,80 en de betalingsverplichting op de helft daarvan, namelijk € 140.414,40,-.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft in de onderliggende strafzaak een integrale vrijspraak bepleit. De verdediging heeft daarom primair aangevoerd dat de vordering ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Subsidiair is afwijzing van de vordering bepleit omdat niet aannemelijk is dat verdachte wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten.

Bewijsmiddelen

Met betrekking tot het door veroordeelde verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel gebruikt de rechtbank als bewijsmiddelen:
- het vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank, locatie Leeuwarden, van 23 november 2021 in de onderliggende strafzaak (verder: het vonnis);
- de stukken behorend bij het onderliggende strafdossier [1] .

Beoordeling

Het vonnis van 23 november 2021
De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 23 november 2021 in de zaak met parketnummer 18-100640-20 veroordeeld ter zake schuldwitwassen. Dit is een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een gevangenisstraf voor de duur van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vijfde categorie.
De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank komt tot vrijspraak van zowel feit 1 primair als subsidiair en van feit 2. Het rapport ter berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd op deze feiten. De strafbare feiten waarvan veroordeelde is vrijgesproken, kunnen niet ten grondslag liggen aan de ontneming ter wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank zal gelet op het voorstaande niet uitgaan van het aan het dossier toebehorende rapport ter berekening van wederrechtelijk verkregen voordeel.
In het onderliggende vonnis is veroordeelde schuldig bevonden aan het witwassen van een geldbedrag van € 19.165,00.
Op grond van artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr.) kan op vordering van het openbaar ministerie bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien aannemelijk is dat dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
De rechtbank gaat voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van de bewijsmiddelen die ten grondslag liggen aan de bewezenverklaring voor feit 3. Het is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat feit 3 of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, als bedoeld in artikel 36e, derde lid, Sr. Bij de berekening van dit wederrechtelijk verkregen voordeel gaat de rechtbank uit van de direct (mede) op naam van veroordeelde gestorte geldbedragen.
De rechtbank merkt op dat het wederrechtelijk verkregen voordeel bestaat uit de baten minus de kosten. Het is de rechtbank niet gebleken dat veroordeelde kosten heeft gemaakt. Dit levert de navolgende berekening op.
De saldo- en transactiegegevens van de bankrekening met het IBAN-nummer [rekeningnummer] ten name van [medeverdachte] en [veroordeelde] zijn door de politie opgevraagd. Uit de opgevraagde gegevens blijkt dat de volgende betalingen zijn ontvangen. [2]
10 januari 2019: € 600,00
18 januari 2019: € 1.000,00 [3] 30 januari 2019: € 1.000,00 [4] 15 februari 2019: € 880,00
22 februari 2019: € 1.000,00 [5] 6 maart 2019: € 800,00 [6] 12 april 2019: € 920,00
18 april 2019: € 1.000,00 [7] 10 mei 2019: € 200,00 [8] 7 juni 2019: € 980,00 [9] 3 juli 2019: € 1.000,00
16 juli 2019: € 400,00
30 juli 2019: € 1.000,00 [10] 4 september 2019: € 2.035,00 [11] 4 oktober 2019: € 700,00
15 oktober 2019: € 450,00
18 oktober 2019: € 300,00 [12] 31 oktober 2019: € 300,00
6 november 2019: € 300,00
14 november 2019: € 350,00 [13] 3 december 2019: € 1.990,00
12 december 2019: € 300,00 [14] 10 januari 2020: € 700,00 [15] 6 februari 2020: € 960,00 [16]
De rechtbank stelt hiermee vast dat op een bankrekening die mede op naam van veroordeelde staat, in totaal een bedrag van € 19.165,00 is ontvangen. Uit de bewijsoverwegingen in het vonnis volgt - kort gezegd - dat veroordeelde de beschikking had over deze bankrekening. De rechtbank acht hiermee aannemelijk dat veroordeelde dit bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten.
De vaststelling van de betalingsverplichting
Ambtshalve is de rechtbank niet gebleken van redenen om de hoogte van de betalingsverplichting aan te passen of in het voordeel van veroordeelde te matigen.
De rechtbank stelt de betalingsverplichting vast op € 19.165,00.

Toepassing van de wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank

Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 19.165,00.
Legt
[veroordeelde]voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van € 19.165,00 (zegge: negentienduizend honderdvijfenzestig euro) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 383 dagen.
Wijst de vordering van de officier van justitie voor het overige af.
Deze uitspraak is gegeven door mr. K. Post, voorzitter, mr. G.W.G. Wijnands en mr. B.F. Hammerle, bijgestaan door mr. S.D. Rodenboog, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 23 november 2021.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van ambtsedige processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal met nummer 2020008687 opgemaakt door politie eenheid Noord-Nederland d.d. 19 mei 2020. Tenzij anders vermeld zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
2.Pagina 138 e.v.
3.T.a.v. 10 en 18 januari 2019: pagina 140.
4.Pagina 141.
5.T.a.v. 15 en 22 februari 2019: pagina 142.
6.Pagina 143.
7.T.a.v. 12 en 18 april 2019: pagina 144.
8.Pagina 145.
9.Pagina 146.
10.T.a.v. 3, 16 en 30 juli 2019: pagina 148.
11.Pagina 150.
12.T.a.v. 4, 15 en 18 oktober 2019: pagina 151.
13.T.a.v. 31 oktober 2019; 6 en 4 november 2019: pagina 152.
14.T.a.v. 3 en 12 december 2019: pagina 153.
15.Pagina 155.
16.Pagina 156.