ECLI:NL:RBNNE:2021:509

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
29 januari 2021
Publicatiedatum
17 februari 2021
Zaaknummer
C/17/176909 / FT RK 21/40 en C/17/176914 / FT RK 21/41
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 370 lid 1 FwArt. 370 lid 3 FwArt. 371 FwArt. 376 lid 1 FwArt. 376 lid 2 Fw
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek algemene afkoelingsperiode en opheffing beslagen in WHOA-procedure

De rechtbank Noord-Nederland behandelde een verzoek van twee schuldenaren die een algemene afkoelingsperiode wilden laten afkondigen en conservatoire beslagen wilden laten opheffen. Deze beslagen waren gelegd door een verhuurder die tevens een lening had verstrekt en een bodemprocedure was gestart voor een aanzienlijke vordering die niet werd betwist.

De schuldenaren hadden een startverklaring ingediend en vroegen om een algemene afkoelingsperiode van vier maanden en opheffing van de beslagen om uitwinning door de verhuurder te voorkomen. De rechtbank hield een zitting waarbij de schuldenaren, een werknemer en hun advocaat werden gehoord.

De rechtbank oordeelde dat op grond van de Wet Homologatie Onderhands Akkoord (WHOA) een afkoelingsperiode alleen kan worden afgekondigd indien een akkoord is aangeboden, toegezegd binnen twee maanden zal worden aangeboden, of een herstructureringsdeskundige is aangewezen. Geen van deze voorwaarden was vervuld. Daarnaast ontbrak een onderbouwing waarom opheffing van de beslagen noodzakelijk was en dat de belangen van de beslaglegger daardoor niet wezenlijk werden geschaad.

Daarom verklaarde de rechtbank het verzoek niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de schuldenaren geen bescherming kregen tegen de uitwinning door de verhuurder en dat de lopende bodemprocedure onverminderd kon doorgaan.

Uitkomst: Verzoek tot afkondiging algemene afkoelingsperiode en opheffing beslagen is niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

Rechtbank NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie: Leeuwarden
algemene afkoelingsperiode en opheffing beslagen
rekestnummers: C/17/176909 / FT RK 21/40 en C/17/176914 / FT RK 21/41
uitspraakdatum: 29 januari 2021
beschikking op het ingekomen verzoekschrift met bijlagen van
[A]en
[B],
beiden wonende te [plaats],
beiden handelend onder de naam
V.O.F. [handelsnaam],
zaakdoende te [plaats],
ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer [nummer],
hierna te noemen: [A] en [B],
advocaat: mr. K.E. Wielenga, kantoorhoudende te Leeuwarden.

1.De procedure

1.1. [
A] en [B] hebben op 18 januari 2021 ter griffie van deze rechtbank een startverklaring als bedoeld in art. 370 lid 3 Fw Pro gedeponeerd.
1.2.
In de openingsbeslissing d.d. 29 januari 2021 zijn de bevoegdheid van deze rechtbank en de keuze voor een besloten akkoordprocedure vastgesteld.
1.3.
Tegelijk met de deponering van de startverklaring hebben [A] en [B] een verzoekschrift met bijlagen ingediend strekkende tot het afkondigen van een algemene afkoelingsperiode voor de duur van 4 maanden, en het opheffen van conservatoire beslagen die door [verhuurder] (hierna: [verhuurder]) zijn gelegd op de bankrekeningen en een tweetal woningen van [A] en [B].
1.4.
Het verzoek is op 25 januari 2021 in raadkamer behandeld. Daarbij zijn door middel van een videoverbinding gehoord:
- [ B], schuldenares;
- [ C], werkneemster, tevens dochter van [A] en [B];
- mr. K.E. Wielenga.

2.De beoordeling

2.1. [
A] en [B] zijn woonachtig in [plaats] en exploiteren aldaar [bedrijfsactiviteit]. Het bedrijfspand wordt gehuurd van [verhuurders], die tevens een lening hebben verstrekt aan [A] en [B]. [verhuurder] heeft een pandrecht op de inventaris. Door [verhuurder] is conservatoir beslag gelegd op de woningen en bankrekeningen van [A] en [B], en is tevens een bodemprocedure gestart waarin betaling van een bedrag van € 492.366,60 wordt gevorderd. Dit bedrag wordt door [A] en [B] niet betwist. [A] en [B] verwachten daarom op korte termijn toewijzing van de vordering van [verhuurder] in een verstekvonnis, waarna [verhuurder] kan uitwinnen ten koste van de andere schuldeisers. De algemene afkoelingsperiode en het opheffen van beslagen zijn volgens [A] en [B] nodig om deze uitwinning te voorkomen. [A] en [B] hebben hun verzoek mede gegrond op art. 379 Fw Pro voor zover opheffing van beslagen niet onder de reikwijdte van de afkoelingsperiode valt.
2.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Zowel de gevraagde algemene afkoelingsperiode als de gevraagde opheffing van beslagen valt blijkens art. 376 lid 2 Fw Pro onder de reikwijdte van een afkoelingsperiode. Op grond van art. 376 lid 1 Fw Pro kan de schuldenaar om de afkondiging van een afkoelingsperiode verzoeken indien aan één van de onderstaande voorwaarden is voldaan:
  • er is door de schuldenaar een akkoord aangeboden als bedoeld in art. 370 lid 1 Fw Pro;
  • er is door de schuldenaar toegezegd dat binnen een termijn van ten hoogste twee maanden een dergelijk akkoord zal worden aangeboden;
  • er is door de rechtbank overeenkomstig art. 371 Fw Pro een herstructurerings-deskundige aangewezen.
2.3.
De rechtbank stelt vast dat ten tijde van de behandeling van het verzoek geen herstructureringsdeskundige is aangewezen, nog geen akkoord is aangeboden en dat niet expliciet is toegezegd dat binnen een termijn van ten hoogste twee maanden een dergelijk akkoord zal worden aangeboden. Dit betekent dat [A] en [B] niet-ontvankelijk zullen worden verklaard in hun verzoek.
2.4.
Ten overvloede merkt de rechtbank met het oog op art. 376 lid 4 Fw Pro nog op dat voor geen van de goederen waarvan opheffing van het beslag wordt gevorderd is gesteld of anderszins gebleken: (1) waarom de opheffing van dat beslag noodzakelijk is om de onderneming tijdens de voorbereiding van en de onderhandelingen over een akkoord te kunnen blijven voortzetten, en (2) dat de beslaglegger door de opheffing van dat beslag niet wezenlijk in zijn belangen wordt geschaad.

3.De beslissing

De rechtbank:
- verklaart [A] en [B] niet-ontvankelijk in hun verzoek.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.J. Idzenga, voorzitter, mr. M.C. Bosch en
mr. M. Wouters, rechters, en in aanwezigheid van mr. M. van den Heuvel, griffier, in het openbaar uitgesproken door mr. H.J. Idzenga op 29 januari 2021.