Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2021:5095

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
19 maart 2021
Publicatiedatum
1 december 2021
Zaaknummer
C/18/204587 / FT RK 21/182
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 370 lid 3 FwArt. 369 lid 6 FwArt. 376 FwArt. 376 lid 4 FwArt. 376 lid 8 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afkondiging afkoelingsperiode in WHOA-procedure tegen faillissementsverzoek schuldeiser

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 19 maart 2021 een beschikking gegeven in een WHOA-procedure waarbij verzoeker, een onderneming actief in het plaatsen van badkamers, een afkoelingsperiode heeft gevraagd tegen een schuldeiser die faillissement had aangevraagd.

Verzoeker kampte met betalingsproblemen door corona-gerelateerde omzetdalingen en was bezig met het aanbieden van een akkoord aan zijn schuldeisers. Een schuldeiser had echter faillissement aangevraagd, wat het akkoord dreigde te doorkruisen. De rechtbank stelde vast dat verzoeker een besloten akkoordprocedure had gekozen en dat de rechtbank rechtsmacht en relatieve bevoegdheid had.

De rechtbank oordeelde dat de afkoelingsperiode noodzakelijk was om de onderneming voort te zetten en dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers daarmee gediend waren. De schuldeiser die faillissement had aangevraagd, had inmiddels ingestemd met het akkoord, waardoor zijn belangen niet wezenlijk werden geschaad.

De rechtbank kondigde daarom een afkoelingsperiode van twee maanden af jegens deze schuldeiser, waarbij diens bevoegdheid tot verhaal op goederen werd beperkt en het faillissementsverzoek werd geschorst. Dit biedt verzoeker de ruimte om het akkoord af te ronden.

Uitkomst: De rechtbank kondigt een afkoelingsperiode van twee maanden af jegens de schuldeiser en schorst het faillissementsverzoek.

Uitspraak

Rechtbank NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie: Assen
afkondiging afkoelingsperiode
rekestnummer: C/18/204587 / FT RK 21/182
uitspraakdatum: 19 maart 2021
beschikking op het ingekomen verzoekschrift met bijlagen van
[verzoeker],
handelend onder de naam [handelsnaam],
wonende en zaakdoende te [plaats],
ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer [nummer],
hierna te noemen: [verzoeker],
advocaat: mr. D.J.W. Feddes, kantoorhoudende te Leiden.

1.De procedure

1.1. [
verzoeker] heeft op 4 maart 2021 ter griffie van deze rechtbank een startverklaring als bedoeld in art. 370 lid 3 Fw Pro gedeponeerd.
1.2.
Tegelijkertijd heeft [verzoeker] een verzoekschrift met bijlagen ingediend strekkende tot het afkondigen van een afkoelingsperiode als bedoeld in art. 376 Fw Pro.
1.3.
Het verzoek tot het afkondigen van een afkoelingsperiode is op 17 maart 2021 in raadkamer behandeld. Daarbij zijn door middel van een videoverbinding gehoord:
- [ verzoeker], verzoeker;
- mr. D.J.W. Feddes, advocaat van verzoeker.

2.Het verzoek

2.1. [
verzoeker] drijft een onderneming die zich richt op het plaatsen van badkamers en sanitaire ruimtes. Vanwege de corona-maatregelen heeft de onderneming weinig omzet gemaakt en is er verlies geleden. Opdrachten werden uitgesteld, en het aantal aanvragen nam af. Hierdoor is [verzoeker] in betalingsproblemen gekomen.
2.2.
Blijkens de gedeponeerde startverklaring en de ter zitting gegeven toelichting daarop is [verzoeker] doende een akkoord aan te bieden aan zijn schuldeisers. Door één van de schuldeisers, te weten [schuldeiser], hierna aan te duiden als: [schuldeiser]), is het faillissement van [verzoeker] aangevraagd. [verzoeker] voert aan dat het door [schuldeiser] ingediende faillissementsverzoek het aanbieden van een akkoord dreigt te doorkruisen. Om deze reden verzoekt [verzoeker] om een beperkte afkoelingsperiode voor de duur van vier maanden jegens [schuldeiser].

3.De beoordeling

Eerste verzoek

3.1.
De rechtbank stelt allereerst vast dat het onderhavige verzoek tot afkondigen van een afkoelingsperiode het eerste verzoek is dat [verzoeker] aan de rechtbank heeft voorgelegd na het deponeren van de startverklaring. Dat betekent dat de rechtbank thans dient vast te stellen welk soort akkoordprocedure als bedoeld in art. 369 lid 6 Fw Pro door [verzoeker] is gekozen bij de voorbereiding van het akkoord. Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of aan haar de rechtsmacht en relatieve bevoegdheid toekomen om van het verzoek kennis te nemen.
3.2.
Blijkens de gedeponeerde startverklaring kiest [verzoeker] voor een besloten akkoordprocedure.
3.3. [
verzoeker] is woonachtig in [plaats] en oefent daar zijn bedrijf uit. Hieruit volgt dat aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt, en dat de rechtbank Noord-Nederland locatie Assen relatief bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.
3.4.
De besloten akkoordprocedure en de bevoegdheid van de rechtbank liggen hiermee voor de volledige duur van de akkoordprocedure vast.
Afkoelingsperiode
3.5.
Op grond van art. 376 Fw Pro kan, nadat een verklaring als bedoeld in art. 370 lid 3 Fw Pro is gedeponeerd, door de schuldenaar of (zo die is aangewezen) door de herstructureringsdeskundige aan de rechtbank het verzoek worden gedaan om een afkoelingsperiode af te kondigen. Indien geen herstructureringsdeskundige is aangewezen en het verzoek door de schuldenaar is gedaan, dient het akkoord reeds te zijn aangeboden of dient de schuldenaar toe te zeggen dat binnen ten hoogste twee maanden een akkoord zal worden aangeboden. Nu [verzoeker] heeft verklaard dat hij reeds doende is het akkoord aan te bieden, de eerste schuldeisers inmiddels hebben ingestemd (waaronder [schuldeiser], die na de indiening van het faillissementsrekest heeft ingestemd) en de verwachting bestaat dat één en ander binnen twee maanden rond zal zijn, stelt de rechtbank vast dat [verzoeker] bevoegd is tot het verzoeken van een afkoelingsperiode.
3.6.
Op grond van art. 376 lid 8 Fw Pro kan de rechtbank haar beschikking tot het afkondigen van een afkoelingsperiode beperken tot bepaalde derden. Nu [verzoeker] blijkens het verzoekschrift specifiek heeft verzocht om een beperkte afkoelingsperiode jegens [schuldeiser], zal de rechtbank bij de verdere beoordeling van het verzoek uitgaan van een afkoelingsperiode die specifiek is gericht tot [schuldeiser].
Noodzakelijkheid en belangen schuldeiser(s)
3.7.
Op grond van art. 376 lid 4 Fw Pro wordt het verzoek tot het afkondigen van een afkoelingsperiode toegewezen indien summierlijk blijkt dat aan twee vereisten wordt voldaan, namelijk (1) dat dit noodzakelijk is om de door de schuldenaar gedreven onderneming tijdens de voorbereiding van en de onderhandelingen over een akkoord te kunnen blijven voortzetten en (2) dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers hierbij gediend zijn en dat de door de afkoelingsperiode getroffen derden niet wezenlijk in hun belangen worden geschaad.
3.8.
Naar het oordeel van de rechtbank is summierlijk gebleken dat aan beide vereisten is voldaan. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
3.9.
De verzochte afkoelingsperiode is noodzakelijk om de onderneming te kunnen blijven voortzetten, nu deze primair dient ter schorsing van een faillissementsverzoek en voortzetting van de onderneming na uitspraak van een faillissement niet langer reëel zal zijn. Na uitspraak van een faillissement zal ook het aanbod dat thans aan de schuldeisers wordt gedaan niet langer reëel zijn. In een faillissement wordt immers een curator benoemd die het actief te gelde zal maken, waarbij afhankelijk van de omstandigheden sprake zal zijn van simpelweg liquidatie of -in een gunstig geval- van een doorstart waarbij meer waarde (goodwill) behouden blijft. In het geval van een faillissement zullen aanzienlijke kosten moeten worden gemaakt, waardoor in verreweg de meeste gevallen aan de concurrente schuldeisers geen of slechts een beperkte uitkering kan worden gedaan. Tevens zal in het geval van een faillissement het nieuwe kapitaal (in de vorm van de financiering van het akkoord) niet beschikbaar komen voor de schuldeisers. In ieder geval brengt een faillissement een aanzienlijk risico met zich op een significant lagere uitkering aan de schuldeisers. Hieruit volgt dat de afkoelingsperiode in het belang van de gezamenlijke schuldeisers zal zijn. Nu [schuldeiser] bovendien reeds heeft ingestemd met het aangeboden akkoord, kan niet worden gezegd dat zij wezenlijk in haar belangen wordt geschaad door de afkoelingsperiode.
3.10.
Nu aan alle eisen wordt voldaan zal de rechtbank het verzoek om afkondiging van een afkoelingsperiode toewijzen. De rechtbank zal daarbij vooralsnog uitgaan van een termijn van twee maanden (behoudens verlenging), aangezien [verzoeker] verwacht dat het akkoord binnen deze termijn afgerond kan zijn.

4.De beslissing

De rechtbank:
kondigt met ingang van heden en voor de duur van twee maanden een afkoelingsperiode als bedoeld in art. 376 Fw Pro af jegens [schuldeiser], die het volgende inhoudt:
  • dat elke bevoegdheid van [schuldeiser] tot verhaal op goederen die tot het vermogen van [verzoeker] behoren of tot opeising van goederen die zich in de macht van [verzoeker] bevinden niet worden uitgeoefend dan met machtiging van de rechtbank, mits [schuldeiser] geïnformeerd is over de afkondiging van de afkoelingsperiode of op de hoogte is van het feit dat er een akkoord wordt voorbereid;
  • dat de behandeling van het door [schuldeiser] ingediende verzoek tot faillietverklaring van [verzoeker] wordt geschorst.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.J. Idzenga, voorzitter, mr. M. Wouters en
mr. M.D.E. Leppens, rechters, en in aanwezigheid van mr. M. van den Heuvel, griffier, in het openbaar uitgesproken door mr. H.J. Idzenga op 19 maart 2021.