Uitspraak
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[veroordeelde] ,
hierna te noemen: [veroordeelde] .
Rechtbank Noord-Nederland
De officier van justitie vorderde op 12 oktober 2021 dat de rechtbank aan veroordeelde zou opleggen een bedrag van €107.722,44 te betalen als ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, voortvloeiend uit een strafzaak met parketnummer 18/228530-21. De behandeling vond plaats op 5 november 2021, waarbij veroordeelde verscheen met zijn advocaat.
De vordering betrof een bedrag dat via de bankrekening van een medeverdachte was witgewassen. De officier van justitie stelde dat veroordeelde dit bedrag zou moeten ontnemen, maar erkende dat er geen aanwijzingen waren dat veroordeelde daadwerkelijk over deze bankrekening beschikte. De verdediging voerde aan dat veroordeelde geen voordeel had genoten van het bedrag en dat niet was vastgesteld dat hij dit geld had verworven of in bezit had.
De rechtbank oordeelde dat onvoldoende aannemelijk was geworden dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel had verkregen via de bankrekening van de medeverdachte. Dit oordeel werd mede ondersteund door de eerdere vrijspraak van veroordeelde voor het witwassen van het betreffende bedrag. Gezien het ontbreken van aanwijzingen wees de rechtbank de vordering tot ontneming af, conform de gewijzigde vordering van de officier van justitie en het verzoek van de verdediging.
De beslissing werd genomen op 19 november 2021 door de meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Nederland, waarbij de rechtbank artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht toepaste.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af wegens onvoldoende bewijs.