ECLI:NL:RBNNE:2021:566

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
16 februari 2021
Publicatiedatum
19 februari 2021
Zaaknummer
20/3047
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op massaal bezwaar inzake inkomstenbelasting 2017

In deze zaak heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet (tijdig) nemen van een beslissing op haar bezwaar tegen een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2017. De aanslag was opgelegd door de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Arnhem, waarbij eiseres een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 10.191 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.909 had. Eiseres maakte bezwaar tegen deze aanslag op 27 december 2018, in verband met de vermogensrendementsheffing van box 3. Dit bezwaar werd meegenomen in een massaal bezwaarprocedure, zoals aangegeven in een besluit van de staatssecretaris van Financiën van 7 juli 2018.

Eiseres heeft in augustus 2019 een ingebrekestelling gestuurd naar de verweerder, omdat er nog geen uitspraak was gedaan op haar bezwaar. In oktober 2020 heeft eiseres beroep ingesteld bij de rechtbank, omdat er geen tijdige beslissing was genomen op haar bezwaar. De rechtbank heeft vastgesteld dat de beslistermijn voor het doen van uitspraak op bezwaren waarvoor de aanwijzing massaal bezwaar geldt, was opgeschort. Dit betekent dat de beslistermijn nog niet was verstreken en dat het beroep van eiseres prematuur was ingediend.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de verweerder nog niet in gebreke was om tijdig een besluit te nemen en heeft het beroep van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak is gedaan door mr. A. Heidekamp, rechter, en de griffier was mr. H.J. Haanstra. De uitspraak werd openbaar gemaakt op de maandag na de datum van uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 20/3047
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 16 februari 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

gemachtigde: [gemachtigde] ,
en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Arnhem, verweerder.

Procesverloop

1.1.
Met dagtekening 13 november 2018 heeft verweerder aan eiseres voor het jaar 2017 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 10.191 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.909.
1.2.
Eiseres heeft bij brief van 27 december 2018, door verweerder op dezelfde dag ontvangen, bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2017 in verband met de vermogensrendementsheffing van box 3.
1.3.
In het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 7 juli 2018, nr. 2018-12775, Staatscourant 2018, nr. 39781, is een aanwijzing massaal bezwaar in de zin van artikel 25c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) gegeven voor de bezwaarschriften tegen de definitieve aanslagen inkomstenbelasting 2017 inzake de vermogensrendementsheffing.
1.4.
Bij brief van 8 maart 2019 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat haar
bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2017 (1.2.) wordt meegenomen in de
massaalbezwaarprocedure.
1.5.
Eiseres heeft bij brief van 16 augustus 2019, door verweerder op dezelfde dag
ontvangen, aan verweerder een ingebrekestelling gestuurd en verweerder gemaand om
uitspraak op het onder 1.2. vermelde bezwaarschrift te doen.
1.6.
Bij brief van 16 oktober 2020, ontvangen door de rechtbank op 20 oktober 2020, heeft eiseres beroep ingesteld vanwege het niet (tijdig) nemen van een beslissing op het onder 1.2. vermelde bezwaarschrift en heeft eiseres de rechtbank verzocht de door verweerder verbeurde dwangsommen vast te stellen.
1.7.
Bij brief van 1 december 2020, ontvangen door de rechtbank op 2 december 2020, heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

Feiten
2. De rechtbank stelt de feiten vast zoals die onder het procesverloop zijn opgenomen.
Geschil en beoordeling
3. Eiseres heeft een beroep ingesteld vanwege het niet (tijdig) nemen van een beslissing op haar bezwaar en heeft de rechtbank verzocht de door verweerder verbeurde dwangsom vast te stellen.
4. Verweerder is van mening dat het beroep van eiseres prematuur is ingediend omdat de beslistermijn nog niet was verstreken.
5. Ingevolge artikel 8:1 en artikel 6:2, aanhef en letter b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kan bezwaar en beroep worden ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
6. Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, kan het beroepschrift worden ingediend zodra:
- het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en
- twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
7. Op grond van artikel 7:10, eerste lid van de Awb beslist het bestuursorgaan binnen zes weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is verstreken.
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de aanwijzing als massaal bezwaar in het geval van eiseres tot gevolg dat op haar bezwaarschrift de procedure van het massaal bezwaar van toepassing is (Hoofdstuk V, Afdeling 1A, van de AWR). Dat komt omdat (1) haar bezwaar alleen ziet op de rechtsvraag zoals die in de aanwijzing staat, (2) het bezwaar is ingediend voordat de collectieve uitspraken op het massale bezwaar zijn gedaan (zie hierna onder 10.) en (3) er nog geen uitspraak op bezwaar was gedaan op het moment van de aanwijzing (zie voor dit alles artikel 25c, derde lid, van de AWR). Dat betekent dus dat verweerder gelijk heeft: het bezwaar van eiseres loopt volgens de wet inderdaad mee in de massaal bezwaarprocedures.
9. Op grond van artikel 25c, vierde lid, van de AWR, wordt de beslistermijn voor het doen van uitspraak op bezwaren waarvoor de aanwijzing massaal bezwaar geldt, opgeschort tot en met de dag voorafgaande aan de dag waarop de collectieve uitspraak wordt gedaan. Op grond van artikel 25e, eerste lid, AWR beslist de inspecteur binnen zes weken op bezwaren waarvoor de aanwijzing massaal bezwaar geldt, als de rechtsvraag uit de aanwijzing massaal bezwaar onherroepelijk is beantwoord.
10. De rechtbank stelt vast dat er nog geen collectieve uitspraak op het massale bezwaar is gedaan. De rechtbank overweegt dat de staatssecretaris van Financiën in zijn Besluit van 10 september 2020 [1] weliswaar de rolnummers bekend heeft gemaakt van de gerechtelijke procedures over de bezwaarschriften die zijn geselecteerd in het kader van het massaal bezwaar tegen aanslagen inkomstenbelasting 2017 en 2018, maar dat de rechtbanken waar die zaken aanhangig zijn, nog geen uitspraak hebben gedaan. Daarna kan er nog hoger beroep en beroep in cassatie volgen. De rechtsvragen uit de aanwijzing massaal bezwaar in punt 1.3. zijn dus nog niet onherroepelijk beantwoord. Dat betekent dat de beslistermijn nog (lang) niet is verstreken.
11. Voor zover eiseres daar naar heeft bedoeld te verwijzen, overweegt de rechtbank dat de Hoge Raad op 14 juni 2019 arrest heeft gewezen in zes geselecteerde zaken [2] en geoordeeld dat het destijds door de wetgever veronderstelde rendement van 4% voor de jaren 2013 en 2014 op stelselniveau niet meer haalbaar was zonder dat belastingplichtigen daarvoor (veel) risico hoeven te nemen. De Hoge Raad vond echter dat er voor ingrijpen van de rechter (nog) geen plaats was, omdat een aanpassing van de box 3-heffing rechtspolitieke keuzes vergt. Daarom bleven de aanslagen toch in stand. Op grond daarvan heeft de staatssecretaris van Financiën bij besluit van 19 juli 2019 [3] afwijzend beslist in de massaalbezwaarprocedure tegen de vermogensrendementsheffing, zoals die gold in de jaren
tot en met 2016. Die massaal bezwaarprocedure zag dus niet op 2017, waar eiseres in deze zaak over procedeert.
12. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de beslistermijn, zoals vermeld in punt 9. voor het bezwaar van eiseres tegen haar aanslag IB/PVV 2017 (1.2.) nog niet is verstreken.
13. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder nog niet in gebreke is tijdig een besluit te nemen en dat eiseres haar beroep prematuur heeft ingediend. Het beroep van eiseres dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard.
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Heidekamp, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.J. Haanstra, griffier, op 16 februari 2021. De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende maandag na deze datum.
w.g. griffier
w.g. rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

Voetnoten

1.Staatscourant 2020, 48126.
3.nr. 2019-112145, Staatscourant 2019, 40085.