Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
1.De procedure
2.Het standpunt van verzoeker
3.Het standpunt van mr. E. Läkamp
4.Beoordeling
5.De beslissing
mr. C.W. Couperus-van Kooten in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2021.
Rechtbank Noord-Nederland
In een strafzaak bij de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, diende verdachte een wrakingsverzoek in tegen de behandelend politierechter tijdens de zitting van 15 september 2021. Verzoeker stelde dat een brief van het Openbaar Ministerie, die niet in het dossier was opgenomen, discriminerend was en dat dit gebrek aan dossierintegriteit het vertrouwen in een eerlijke behandeling ondermijnde.
De politierechter had opgemerkt dat zij zich niet kon voorstellen dat het OM de brief expres zou hebben weggelaten, maar kon dit niet bewijzen. De wrakingskamer beoordeelde het verzoek aan de hand van artikel 512 Sv Pro en artikel 6 EVRM Pro, waarbij onpartijdigheid van de rechter wordt vermoed tenzij uitzonderlijke omstandigheden het tegendeel aantonen.
De rechtbank concludeerde dat het verzoek geen concrete feiten bevatte die een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid rechtvaardigen. De enkele opmerking van de politierechter was onvoldoende om wraking te rechtvaardigen. Het verzoek werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en de hoofdzaak werd voortgezet in de oorspronkelijke stand.
Er vond geen mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek plaats. De beslissing werd op 5 oktober 2021 in het openbaar uitgesproken door de meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Nederland te Leeuwarden.
Uitkomst: Het verzoek tot wraking van de politierechter is ongegrond verklaard en de strafzaak wordt voortgezet.