De stichting Nijestee vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van een zelfstandige woonruimte omdat de huurders niet hun hoofdverblijf in het gehuurde zouden hebben en mogelijk onderverhuur plegen. De huurovereenkomst, gesloten in 2000, bevat bepalingen die de huurder verplichten het gehuurde zelf te bewonen en niet zonder toestemming onder te verhuren.
Nijestee baseert haar vordering op diverse feiten en bewijsstukken, waaronder correspondentie, rapporten van de gemeente, aangiften van omwonenden, en een strafvonnis tegen een van de huurders. Deze stukken wijzen erop dat de huurders de woning sinds 2012 niet als hoofdverblijf gebruiken en dat de woning leegstaat. De huurders betwisten dit en leveren onder meer getuigenverklaringen en correspondentie van instanties die het tegendeel moeten aantonen.
De kantonrechter oordeelt dat de door Nijestee overgelegde stukken sterke aanwijzingen vormen dat de huurders niet hun hoofdverblijf in het gehuurde hebben, maar laat hen toe tegenbewijs te leveren. Wat betreft de onderhuur is onvoldoende bewijs geleverd door Nijestee, zodat dit niet is vastgesteld. De zaak wordt verwezen naar een rolzitting voor nadere bewijslevering en verdere procedure.