De rechtbank Noord-Nederland heeft op 11 maart 2021 uitspraak gedaan in een zaak waarin de officier van justitie vorderde dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van verdachte uit een hennepkwekerij zou worden vastgesteld en ontnomen. Verdachte was eerder veroordeeld voor het opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet.
De rechtbank baseerde de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op diverse bewijsmiddelen, waaronder proces-verbalen van aantreffen van hennepkwekerijen, verhoren, en DNA-onderzoek. De kwekerij bestond uit twee kweekruimtes met respectievelijk 182 en 125 hennepplanten. Uit het rapport van 8 mei 2019 bleek dat per oogst de bruto opbrengst van hennep aanzienlijk was, waarbij werd uitgegaan van minimaal 27,7 gram per plant in de eerste ruimte en 28,6 gram in de tweede.
De totale bruto opbrengst per oogst werd berekend op €20.518,50 voor de eerste ruimte en €14.550,25 voor de tweede. Na aftrek van standaardkosten zoals afschrijvingen, stekken, variabele kosten en knippers, maar zonder elektriciteitskosten wegens illegale afname, kwam de rechtbank tot een totaal voordeel van €63.587,84 voor twee oogsten. Na aftrek van een vordering van de benadeelde partij van €4.952,08 werd het definitieve voordeel vastgesteld op €58.635,76.
De rechtbank legde aan verdachte de verplichting op tot betaling van dit bedrag aan de staat en bepaalde de duur van de gijzeling op maximaal 1080 dagen. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige strafkamer, waarbij één rechter niet medeondertekende.