Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
C/17/183148 / FA RK 22-338
Raad voor de Kinderbescherming,hierna te noemen de RvdK,
Rechtbank Noord-Nederland
De rechtbank Noord-Nederland behandelde een verzoek tot beëindiging van het ouderlijk gezag van de vrouw over een minderjarige die sinds haar eerste levensjaar bij pleegouders woont. De minderjarige had zelf verzocht het gezag van de vrouw te beëindigen en de pleegouders tot voogd te benoemen, maar dit verzoek werd door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard omdat de wet dit niet voorziet.
De Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) voerde een onderzoek uit en verzocht vervolgens de rechtbank het gezag van de vrouw te beëindigen en de pleegouders als voogd aan te wijzen. De rechtbank oordeelde dat de vrouw niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige te dragen, mede omdat er al jaren geen contact is en de minderjarige ernstig in haar ontwikkeling zou worden bedreigd bij terugkeer naar de vrouw.
Op grond van artikel 1:266 BW Pro werd het gezag van de vrouw beëindigd en op grond van artikel 1:275 BW Pro werden de pleegouders benoemd tot voogd. De rechtbank benadrukte het belang van het kind en het blijvend betrekken van Pleegzorg voor ondersteuning. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden via een advocaat.
Uitkomst: Het ouderlijk gezag van de vrouw wordt beëindigd en de pleegouders worden benoemd tot voogd; het verzoek van de minderjarige zelf wordt niet-ontvankelijk verklaard.