ECLI:NL:RBNNE:2022:1410

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
29 april 2022
Publicatiedatum
3 mei 2022
Zaaknummer
LEE 21/3605
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep mijnbouwschade waardedaling

De zaak betreft een verzoek om proceskostenvergoeding na intrekking van het beroep door verzoekers tegen het besluit van het Instituut Mijnbouwschade Groningen. Verzoekers hadden een aanvraag tot vergoeding van waardedaling afgewezen zien worden en hadden bezwaar gemaakt dat ongegrond werd verklaard. Na kennisgeving van de zittingsdatum trokken verzoekers het beroep in en verzochten om proceskostenvergoeding.

De rechtbank overweegt dat een proceskostenvergoeding op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht alleen mogelijk is als het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan het beroep tegemoet is gekomen. Verzoekers stelden dat verweerder pas in het verweerschrift motiveerde waarop het besluit was gebaseerd, met een tabel over bevingen die niet in het bestreden besluit waren opgenomen.

De rechtbank oordeelt dat een nadere onderbouwing, los van de vraag of dit een motiveringsgebrek herstelt, niet kan worden gezien als een gedeeltelijke tegemoetkoming in het beroep. Daarom is er geen grond voor proceskostenvergoeding. Het verzoek wordt als kennelijk ongegrond afgewezen en de proceskostenvergoeding wordt niet toegekend.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat geen sprake is van een tegemoetkoming in het beroep.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 21/3605

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 april 2022 in de zaak tussen

[verzoekster] en [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoekers

(gemachtigde: drs. S.A.N. Geerling),
en

Instituut Mijnbouwschade Groningen, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 4 januari 2021 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser [verzoeker] tot vergoeding van waardedaling afgewezen.
In het besluit van 11 oktober 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker [verzoeker] ongegrond verklaard.
Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Bij brieven van 18 februari 2022 heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat het beroep op 7 april 2022 behandeld zal worden.
Verzoekers hebben bij brief van 5 april 2022 het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
Verweerder heeft de rechtbank meegedeeld geen grond te zien voor vergoeding van de proceskosten aan eisers.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
3.1.
Verzoekers voeren aan dat verweerder pas in het verweerschrift gemotiveerd heeft waarop verweerder het bestreden besluit gebaseerd heeft, nu uit een tabel in het verweerschrift blijkt dat er na verkrijging van de woning bevingen op het perceel van verzoekers hebben plaatsgevonden. Deze tabel was ten onrechte niet opgenomen in het bestreden besluit, terwijl de betreffende gegevens al wel bekend waren bij verweerder.
3.2.
Naar het oordeel van de rechtbank kan een nadere onderbouwing, los van de vraag of hiermee een motiveringsgebrek is hersteld, niet aangemerkt worden als het geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen aan het beroep van verzoekers als bedoeld in artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb zodat de rechtbank hierin geen grond vindt om verweerder te veroordelen in de proceskosten.

Conclusie en gevolgen

Het verzoek wordt als kennelijk ongegrond afgewezen.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. Hesseling, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Dijk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2022.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.