ECLI:NL:RBNNE:2022:1412

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
7 april 2022
Publicatiedatum
3 mei 2022
Zaaknummer
LEE 21/3335
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen afwijzing vergoeding waardedaling mijnbouwschade

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het Instituut Mijnbouwschade Groningen waarin zijn aanvraag tot vergoeding van waardedaling werd afgewezen. Het primaire besluit dateert van 18 november 2020 en het bezwaar werd ongegrond verklaard op 9 juli 2021. Het beroepschrift is gedateerd op 1 augustus 2021, maar pas op 27 september 2021 ontvangen door de rechtbank, wat betekent dat het na de wettelijke termijn van zes weken was ingediend.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de termijn voor het indienen van beroep op 20 augustus 2021 eindigde. Hoewel eiser heeft toegelicht dat hij het beroepschrift op 1 augustus 2021 heeft geschreven, heeft hij het verzuimd tijdig te verzenden. Er zijn geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die de overschrijding van de termijn verschoonbaar maken.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk, waardoor het beroep niet inhoudelijk wordt beoordeeld. Eiser krijgt het griffierecht niet terug en er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om in hoger beroep te gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes weken na verzending van het proces-verbaal.

Uitkomst: Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn zonder verschoonbare omstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 21/3335
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 april 2022 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

Instituut Mijnbouwschade Groningen, verweerder

(gemachtigde: mr. L.A. Jager).

Procesverloop

In het besluit van 18 november 2020 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag tot vergoeding van waardedaling afgewezen.
In het besluit van 9 juli 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2022 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Overwegingen

1.1.
De rechtbank stelt vast – zoals ook door eiser is erkend – dat het beroep na afloop van de wettelijke termijn van zes weken is ingediend. De termijn voor het indienen van het beroep eindigde op 20 augustus 2021. Het beroepschrift is gedateerd op 1 augustus 2021, maar pas op 27 september 2021 ontvangen door de rechtbank. Uit het poststempel op de envelop, waarin het beroepschrift verstuurd is, blijkt dat het beroep op 24 september 2021 op de post is gedaan.
1.2.
Als redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest blijft niet-ontvankelijkverklaring achterwege. Er is dan sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding.
1.3.
Eiser heeft toegelicht dat hij het beroepschrift daadwerkelijk op 1 augustus 2021 heeft geschreven, maar dat hij vervolgens vergeten is dit naar de rechtbank te sturen.
1.4.
De rechtbank overweegt dat het in dit geval gaat om een ruime overschrijding van de beroepstermijn. Niet is gebleken dat er bijzondere omstandigheden speelden, gedurende de beroepstermijn, die hebben gemaakt dat eiser geen beroepschrift kon indienen voor afloop van de beroepstermijn. Dit betekent dat de rechtbank geen andere keuze heeft dan het beroepschrift niet-ontvankelijk te verklaren.

Conclusie en gevolgen

2. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat het beroep niet inhoudelijk zal worden beoordeeld. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Er is geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten.
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 april 2022 door mr. J.H.M. Hesseling, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Dijk, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. U ziet deze datum hierboven.