ECLI:NL:RBNNE:2022:1514

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
12 mei 2022
Publicatiedatum
13 mei 2022
Zaaknummer
18/850082-18 ontneming
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens onvoldoende bewijs

De officier van justitie had een vordering ingediend tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €108.847,00, gebaseerd op witwassen van gelden uit factuurfraude. Deze vordering betrof het voordeel dat zou zijn verkregen door veroordeelde in de periode van september tot november 2016.

Tijdens de behandeling van de zaak op 15 maart 2022 bereikten de officier van justitie en de verdediging overeenstemming om de vordering af te wijzen, mede gelet op recente jurisprudentie omtrent voordeel uit witwassen. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 7 april 2022.

Bij vonnis van 21 april 2022 was veroordeelde reeds veroordeeld voor gewoontewitwassen. Echter, de rechtbank oordeelde dat onvoldoende aannemelijk was gemaakt dat veroordeelde daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel had verkregen uit de ten laste gelegde feiten of andere feiten.

Daarom wees de rechtbank de vordering tot ontneming af. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Nederland op 12 mei 2022.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht Locatie
Groningen
parketnummer 18/850082-18
beslissing van de meervoudige kamer d.d. 12 mei 2022 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
in de zaak tegen

[veroordeelde],

veroordeelde, geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats], wonende te [straatnaam], [woonplaats].

Procesverloop

De officier van justitie heeft d.d. 19 november 2019 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 108.847,00 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18/850082-18 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De vordering is gebaseerd op de berekening met betrekking tot voordeel uit witwassen van gelden uit factuurfraude (feit 3).
De officier van justitie heeft op 8 maart 2022 meegedeeld dat de verdediging en de officier van justitie overeenstemming hebben bereikt over de afdoening van onderhavige zaak. De officier van justitie vordert afwijzing van de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, gelet op de recente jurisprudentie met betrekking tot voordeel uit witwassen.
De behandeling van de vordering heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 15 maart 2022. Het onderzoek is gesloten op 7 april 2022.
Veroordeelde is verschenen, bijgestaan door mr. E.T. van Dalen, advocaat te Groningen.
Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. G. Wilbrink.
Ter terechtzitting heeft de officier van justitie zich - conform het afdoeningsvoorstel - op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen. De raadsman heeft zich daarbij aangesloten.

Beoordeling

De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 21 april 2022 in de zaak met parketnummer 18/850082-18 veroordeeld ter zake van onder andere gewoontewitwassen in de periode van 1 september 2016 tot 1 november 2016.
Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende aannemelijk geworden dat veroordeelde daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van een of meer van de ten laste gelegde feiten en/of andere feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.
De rechtbank zal derhalve de vordering van de officier van justitie afwijzen.

Beslissing

Wijst de vordering van de officier van justitie af.
Deze uitspraak is gegeven door mr. S. Timmermans, voorzitter, mr. L.W. Janssen en mr. H. Brouwer, rechters, bijgestaan door mr. B.E. Oosterhout, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 12 mei 2022.