ECLI:NL:RBNNE:2022:158
Rechtbank Noord-Nederland
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs ontuchtige handelingen met minderjarige
Op 21 april 2018 werd verdachte beschuldigd van ontuchtige handelingen met een minderjarige in zijn woning te Appingedam. Het slachtoffer verklaarde dat verdachte haar had betast en vingers tussen haar billen had geplaatst. Verdachte ontkende het ontuchtige karakter van het contact en gaf aan dat eventuele aanrakingen per ongeluk waren.
De officier van justitie vorderde een taakstraf van 180 uur, stellende dat de verklaring van het slachtoffer betrouwbaar en consistent was, mede ondersteund door de aangifte van de moeder en de context bevestigd door verdachte. De verdediging betoogde vrijspraak wegens onvoldoende bewijs.
De rechtbank oordeelde dat de verklaring van het slachtoffer betrouwbaar was, maar dat deze niet voldoende werd ondersteund door ander bewijs. De aangifte van de moeder werd als audituverklaring beoordeeld en kon niet als onafhankelijk bewijs dienen. Verdachte ontkende het ontuchtige karakter en er was geen aanvullend bewijs. Daarom werd verdachte vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.
Daarnaast merkte de rechtbank op dat verdachte in het verleden meerdere meldingen had over grensoverschrijdend gedrag met kinderen, waarbij afspraken waren gemaakt die verdachte ontkende te herinneren. De rechtbank adviseerde verdachte zich aan deze afspraken te houden vanwege de risico’s.
De rechtbank sprak verdachte vrij van het ten laste gelegde en benadrukte het belang van zorgvuldigheid bij bewijs in zedenzaken waar vaak slechts twee partijen betrokken zijn.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van ontuchtige handelingen met een minderjarige.