ECLI:NL:RBNNE:2022:1694

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
24 mei 2022
Publicatiedatum
24 mei 2022
Zaaknummer
18/830087-20
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 300 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens mishandeling met stok in winkelcentrum Groningen

Op 11 mei 2019 heeft verdachte in Groningen het slachtoffer met een houten stok op het hoofd geslagen. Dit gebeurde in het winkelcentrum Op is Op te Paddepoel, waar verdachte het slachtoffer opzocht en een stok bij zich had om zich te verdedigen.

De officier van justitie vorderde vrijspraak voor het primair ten laste gelegde opzetmisdrijf, maar veroordeelde verdachte voor het subsidiair ten laste gelegde mishandeling. De verdediging voerde ontkenning en een beroep op noodweer(exces) of putatief noodweer aan, onderbouwd met vermeende bedreigingen en het tonen van een mes door het slachtoffer. De rechtbank achtte deze verweren niet aannemelijk wegens gebrek aan bewijs.

De rechtbank sprak verdachte vrij van het primair ten laste gelegde en veroordeelde hem voor mishandeling. De strafmaat werd bepaald op 4 dagen gevangenisstraf, gelijk aan de duur van het voorarrest, en een taakstraf van 50 uren, subsidiair 25 dagen vervangende hechtenis. De rechtbank matigde de straf vanwege overschrijding van de redelijke termijn en hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 4 dagen gevangenisstraf en 50 uur taakstraf wegens mishandeling met een stok.

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht Locatie
Groningen
parketnummer 18/830087-20
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 24 mei 2022 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats], wonende te [straatnaam], [woonplaats].
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 10 mei 2022.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P.Th. van Jaarsveld, advocaat te Groningen.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. I. Kluiter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 11 mei 2019 te Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, (te weten [slachtoffer]), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een stok, meermalen, althans eenmaal op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dan
hij op of omstreeks 11 mei 2019 te Groningen [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] met een stok meermalen, althans eenmaal, op/tegen het hoofd te slaan.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het primair ten laste gelegde.
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het subsidiair ten laste gelegde.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde, gelet op de ontkennende verklaring die verdachte heeft afgelegd.
De raadsman heeft zich, indien de rechtbank geen geloof hecht aan de ontkennende verklaring van verdachte, op het standpunt gesteld dat verdachte een beroep op noodweer(exces) dan wel putatief noodweer toekomt. Hij heeft daartoe aangevoerd dat bij verdachte sprake is geweest van zodanige vrees, dat hij zich genoodzaakt heeft gevoeld geweld te gebruiken jegens [slachtoffer]. Uit de verklaring van verdachte volgt immers dat hij zijn stok pas heeft gepakt nadat hij een mes had gezien bij [slachtoffer]. Kort daarna heeft [slachtoffer] dit mes ook getoond aan getuige [naam] en bij [slachtoffer] is naderhand een mes aangetroffen. Daarnaast geldt dat verdachte in het verleden herhaaldelijk is bedreigd door [slachtoffer] en dat op de dag waarop het ten laste gelegde feit is begaan eveneens bedreigingen jegens verdachte zijn geuit.
Oordeel van de rechtbank
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat geen wettig en overtuigend bewijs aanwezig is voor het primair ten laste gelegde, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.
De rechtbank past ten aanzien van het hierna subsidiair bewezen verklaarde de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 11 mei 2019,opgenomen op pagina 72 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2019119097 d.d. 27 juni 2019, inhoudend als verklaring van [naam]:
Vandaag moest ik naar de Op is Op winkel in Paddepoel te Groningen en ik ben daarheen gegaan. Voor de Zeeman zag ik [verdachte] staan. Ik zag dat [verdachte] [slachtoffer] zag en dat ze naar elkaar toeliepen. Ik zag dat [verdachte] een houten stok uit zijn jas haalde. Ik zag toen dat
[verdachte] met zijn stok op [slachtoffer] begon te slaan. Ik heb gezien dat [slachtoffer] op zijn hoofd werd geraakt door een slag van [verdachte] met de stok.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 14 mei 2019, opgenomenop pagina 125 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer]:
V: Wij willen je graag nader horen over wat er afgelopen zaterdag is voorgevallen, wil je daar meteen zelf al wat over kwijt?
A: Ik kwam [verdachte] en [naam] tegen. [verdachte] heeft mij geslagen met een stok. Hij sloeg mij boven op mijn hoofd.
De rechtbank acht de feiten en omstandigheden die de raadsman aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, niet aannemelijk geworden. Naast de verklaring van verdachte bevinden zich geen verklaringen of andere bewijsmiddelen in het dossier waaruit blijkt dat [slachtoffer] een mes heeft getoond dan wel verdachte met een wapen heeft bedreigd voordat verdachte hem met een stok sloeg. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachte de hem verweten gedraging niet heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen lijf, tegen een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Ook is niet gebleken dat sprake was van een verontschuldigbare dwaling aan de kant van verdachte, in die zin dat hij niet alleen kon, maar redelijkerwijs ook mocht menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze als hij heeft gedaan. De rechtbank acht de wederrechtelijkheid van het handelen van verdachte dan ook aanwezig, zodat de verweren worden verworpen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 11 mei 2019 te Groningen [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] met een stok op het hoofd te slaan.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde levert op:

subsidiairmishandeling

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake het subsidiair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 50 uren subsidiair 25 dagen vervangende hechtenis.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich, indien de rechtbank wel tot een bewezenverklaring komt, primair op het standpunt gesteld dat oplegging van een straf geen toegevoegde waarde meer heeft, gelet op de gevolgen die verdachte reeds heeft ondervonden van het incident. Subsidiair heeft de raadsman gepleit voor oplegging van een taakstraf. De raadsman heeft verzocht de taakstraf te matigen, gelet op het tijdsverloop in deze zaak.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het reclasseringsrapport, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling. Verdachte heeft het slachtoffer naar aanleiding van een langlopend conflict op klaarlichte dag, midden in een winkelcentrum, met een stok op het hoofd geslagen. Dat verdachte gebruik heeft gemaakt van een stok is niet toevallig, nu hij deze stok naar het winkelcentrum had meegenomen voor het geval hij het slachtoffer zou tegenkomen. Het slachtoffer heeft als gevolg van de slag op zijn hoofd pijn ondervonden. De rechtbank rekent dit verdachte aan. Tijdens het incident heeft ook het slachtoffer geweld gebruikt. Verdachte en het slachtoffer hebben in en rondom het winkelcentrum telkens de confrontatie met elkaar gezocht. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij alle kansen om zich te onttrekken aan het conflict onbenut heeft gelaten.
Gelet op het voorgaande, alsmede de oriëntatiepunten van het LOVS, is oplegging van een taakstraf in beginsel passend.
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank ook gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft kennisgenomen van het omtrent verdachte opgemaakte reclasseringsrapport d.d. 12 mei 2021. Uit dat rapport volgt dat de reclassering reclasseringsinterventies niet noodzakelijk acht. De risicotaxatie laat een laag risico op recidive en geweld zien en er zijn geen aanwijzingen dat verdachte een stelselmatig probleem heeft op het gebied van agressieregulatie. De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 12 april 2022, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.
De rechtbank constateert dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen berechting dient plaats te vinden, nu het vonnis meer dan 24 maanden na 13 mei 2019, de dag waarop verdachte in verzekering is gesteld, wordt gewezen. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden die deze overschrijding rechtvaardigen. De rechtbank zal bij de bepaling van de straf rekening houden met de overschrijding van de redelijke termijn, door de straf enigszins te matigen.
Al met al zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest. Daarnaast zal de rechtbank – conform de eis van de officier van justitie – aan verdachte een taakstraf opleggen. Anders dan de raadsman acht de rechtbank oplegging van een straf passend en geboden, gelet op de aard en de ernst van het feit en de rol die verdachte bij het incident heeft gehad.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 300 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en acht verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 4 dagen.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

een taakstraf voor de duur van 50 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 25 dagen zal worden toegepast.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. van Bruggen, voorzitter, mr. H.R. Bracht en mr. A.G.D. Overmars, rechters, bijgestaan door mr. E.F. Jonkman, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 mei 2022.
mrs. A.G.D. Overmars en E.F. Jonkman zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.