Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
hierna te noemen de vader,
Rechtbank Noord-Nederland
De zaak betreft een verzoek van de vader om de schriftelijke aanwijzing van 2 december 2021, die een omgangsregeling met zijn kinderen regelt, geheel of gedeeltelijk te laten vervallen en een ruimere omgangsregeling vast te stellen. De kinderen verblijven in een gezinshuis en zijn onder toezicht gesteld van de Gecertificeerde Instelling (GI).
De GI had de omgangsregeling zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd, waarbij de omgang beperkt was tot twee momenten van een uur in een periode van twee weken, mede vanwege de mogelijkheden van de vader en het belang van de uithuisplaatsing. De vader stelde dat zijn belangen onvoldoende waren meegewogen en dat de GI onvoldoende had gemotiveerd waarom alternatieve tijden niet mogelijk waren.
De kinderrechter oordeelde dat de GI de belangen van de vader voldoende had betrokken en dat de voorgestelde uitbreiding niet haalbaar was gebleken. De vader had onvoldoende reële alternatieven aangedragen. Ook werd overwogen dat het verzoek van de vader betrekking had op een andere periode dan waarvoor de schriftelijke aanwijzing was gegeven, en dat een verzoek tot verdeling van zorg- en opvoedingstaken bij de familiekamer moet worden ingediend.
Daarom werd het verzoek van de vader afgewezen en de schriftelijke aanwijzing van 2 december 2021 in stand gelaten.
Uitkomst: De schriftelijke aanwijzing van 2 december 2021 wordt in stand gelaten en het verzoek van de vader tot vervallenverklaring afgewezen.