ECLI:NL:RBNNE:2022:3116

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
17 augustus 2022
Publicatiedatum
29 augustus 2022
Zaaknummer
18/750014-20 ontneming
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na veroordeling voor witwassen en drugshandel

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 17 augustus 2022 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen een veroordeelde die eerder was veroordeeld voor onder meer witwassen en betrokkenheid bij de uitvoer van grote hoeveelheden harddrugs.

De officier van justitie vorderde een ontnemingsbedrag van €109.346,00, gebaseerd op een kasopstelling en bankgegevens. De verdediging betwistte de vordering, stellende dat het voordeel niet aannemelijk was toe te rekenen aan de ten laste gelegde feiten en dat de berekening onjuist was.

De rechtbank baseerde haar oordeel op het vonnis van de meervoudige strafkamer en een rapport van 10 februari 2021 waarin het wederrechtelijk verkregen voordeel werd berekend. Na aftrek van een bedrag van €35.193,32 waarvan de herkomst concreet was verklaard, stelde de rechtbank het ontnemingsbedrag vast op €74.152,68.

De rechtbank legde de veroordeelde de verplichting op dit bedrag aan de staat te betalen en bepaalde een maximale gijzelingstermijn van 1080 dagen. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer bestaande uit drie rechters.

Uitkomst: De veroordeelde is verplicht tot betaling van €74.152,68 aan wederrechtelijk verkregen voordeel aan de staat.

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht Locatie Leeuwarden
parketnummer 18/750014-20
beslissing van de meervoudige kamer d.d. 17 augustus 2022 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
in de zaak tegen

[veroordeelde] ,

veroordeelde, geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] , wonende te [straatnaam] , [woonplaats] , hierna: veroordeelde.

Procesverloop

De officier van justitie heeft d.d. 8 maart 2021 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van € 109.346,00 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18/750014-20 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 22 maart 2022.

Standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat veroordeelde hoofdelijk zal worden veroordeeld tot betaling aan de staat van het geschatte voordeel, dat door hen wordt geschat op € 109.346,00.

Standpunt van de verdediging

De raadslieden hebben bepleit de vordering af te wijzen. Zij hebben daartoe aangevoerd dat de ten laste gelegde feiten allemaal betrekking hebben op een tijdvak dat ligt na de periode waarbinnen volgens de politie het wederrechtelijk voordeel zou zijn genoten. Gelet daarop is het niet aannemelijk dat het geld met die feiten is verdiend. De eenvoudige kasopstelling die de grondslag vormt voor de vordering is onjuist. Ook is de verklaring die veroordeelde heeft afgelegd niet onderzocht. Uit de naar voren gebrachte administratie blijkt dat het beginsaldo en ook de door het Openbaar Ministerie gemaakte berekening, onjuist zijn.

Bewijsmiddelen

De rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de volgende bewijsmiddelen:
het vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank, locatie Leeuwarden, van 17 augustus 2022 in de onderliggende strafzaak (verder: het vonnis);
het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict ex art. 36e 2e lid Sr.

Beoordeling

De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 17 augustus 2022 in de zaak met parketnummer 18/750014-20 veroordeeld ter zake onder meer witwassen.
Op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen is komen vast te staan dat de veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van de door hem gepleegde strafbare feiten en andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.
De rechtbank neemt als uitgangspunt voor de berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van deze strafbare feiten wordt geschat, het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 10 februari 2021 (verder: het rapport).
Dit levert de volgende berekening op:
Bankstortingen
Rekening [medeverdachte] :
2014: € 15.085,00
2015: € 18.560,00
2016: € 25.120,00
2017: € 28.510,00
2018: € 25.710,00
2019:
€ 4.950,00+
€ 117.935,00
Rekening veroordeelde: € 11.500,00
Het totaal van de bankstortingen betreft € 11.500,00 + € 117.935,00 = € 129.435,00
Bankopnames
Rekening [medeverdachte] :
2014: € 1.095,00
2015: € 280,00
2016: € 40,00
2017: € 5.270,00
2018: € 10.440,00
2019:
€ 2.714,00+
€ 19.839,00
Rekening veroordeelde: € 250,00
Het totaal van de bankopnames betreft € 19.839,00 + € 250,00 = € 20.089,00
Totaal wederrechtelijk verkregen voordeelDit levert de volgende berekening op:
Totaal bankstortingen: € 129.435,00
Totaal bankopnames:
€ 20.089,00-
Totaal: € 109.346,00
De rechtbank heeft in het vonnis van 17 augustus 2022 vastgesteld dat verdachte ten aanzien van een bedrag van € 35.193,32 een concrete en verifieerbare verklaring heeft afgelegd over de herkomst van dit geldbedrag. De rechtbank zal dit bedrag daarom in mindering brengen op de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel: € 74.152,68
De rechtbank komt aldus tot het oordeel dat de veroordeelde € 74.152,68 voordeel heeft genoten.

Toepassing van de wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 74.152,68.
Legt [veroordeelde] voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van € 74.152,68 (zegge: vierenzeventigduizend honderdtweeënvijftig euro en achtenzestig eurocent) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Deze uitspraak is gegeven door mr. M. Brinksma, voorzitter, mr. F. Sieders en mr. J.V. Nolta, rechters, bijgestaan door mr. W.D. de Boer en mr. C.G. Velvis, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 17 augustus 2022.