ECLI:NL:RBNNE:2022:3120

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
9 augustus 2022
Publicatiedatum
29 augustus 2022
Zaaknummer
LEE 21/3284
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 Reglement rijbewijzenArt. 3:4 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing omzetting Arubaans rijbewijs wegens niet voldoen aan 185 dagen eis

Eiser verzocht om zijn Arubaans rijbewijs om te wisselen voor een Nederlands rijbewijs, maar de RDW wees dit af omdat hij niet voldeed aan de dwingendrechtelijke voorwaarde dat hij minimaal 185 dagen in Aruba moest hebben gewoond in het jaar voorafgaand aan de aanvraag. Eiser erkende dit en voerde aan dat bijzondere omstandigheden, zoals zijn studie in Nederland en een speciale regeling voor studenten in Aruba, een afwijking rechtvaardigden.

De rechtbank stelde vast dat de RDW geen beslissingsruimte of hardheidsclausule heeft om van de 185 dagen eis af te wijken. Wel kan het evenredigheidsbeginsel uit artikel 3:4, tweede lid, Awb worden toegepast om een te strikte toepassing te voorkomen. De rechtbank oordeelde echter dat de nadelige gevolgen voor eiser niet onevenredig zijn ten opzichte van het doel van de regeling, namelijk het voorkomen van rijbewijstoerisme.

De rechtbank vond dat eiser onvoldoende inzicht gaf in de omvang van de door hem gestelde schade en dat zijn keuze om in 2016 niet in Aruba te blijven voor het rijexamen voor zijn eigen rekening komt. Ook werd bevestigd dat het Arubaans rijbewijs niet is omgewisseld en daarom naar eiser is teruggezonden. Het beroep werd ongegrond verklaard en het besluit van de RDW bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de omzetting van het Arubaans rijbewijs wordt ongegrond verklaard en het besluit van de RDW blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 21/3284

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 augustus 2022 in de zaak tussen

[eiser] uit [woonplaats] , eiser

en

De directie van de Dienst Wegverkeer (RDW)

(gemachtigde: mr. F. Schuring).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag om zijn Arubaanse rijbewijs om te wisselen voor een Nederlands rijbewijs.
1.1
De RDW heeft deze aanvraag in het besluit van 4 juni 2021 afgewezen. In het bestreden besluit van 26 augustus 2021 op het bezwaar van eiser is de RDW bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2
De RDW heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3
De rechtbank heeft het beroep op 11 juli 2022 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de RDW. Eiser is niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden die eiser naar voren heeft gebracht. De rechtbank komt tot het oordeel dat eisers beroepsgronden niet slagen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser heeft gevraagd om zijn Arubaanse rijbewijs, dat is afgegeven op [datum] , om te wisselen voor een Nederlands rijbewijs. De RDW heeft deze aanvraag afgewezen, omdat eiser niet aan de voorwaarde van artikel 44, tweede lid, aanhef en onder b, van het Reglement rijbewijzen (Rr) voldoet. Het Arubaanse rijbewijs is niet afgegeven in een periode van één jaar waarin eiser ten minste 185 dagen in Aruba woonde (185 dagen eis).
4. De rechtbank stelt vast dat eiser erkent dat hij niet aan de 185 dagen eis voldoet. De rechtbank heeft ook zelf vastgesteld dat niet aan deze eis wordt voldaan. De RDW heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet heeft voldaan aan het vereiste van artikel 44, tweede lid, aanhef en onder b, van het Rr.
4.1
Hieruit volgt dat de RDW zich eveneens terecht op het standpunt heeft gesteld dat het Arubaanse rijbewijs van eiser, volgens de letter van de wet, niet kan worden omgewisseld voor een Nederlands rijbewijs. De 185 dagen eis is immers een dwingendrechtelijke voorwaarde voor de omwisseling naar een Nederlands rijbewijs.
5. Eiser betoogt dat de RDW ten onrechte geen rekening heeft gehouden met zijn bijzondere individuele omstandigheden: voor het volgen van een studie moest eiser in 2016 vanuit Aruba naar Nederland vertrekken. Dat was voordat hij de leeftijd had dat hij in Aruba het rijexamen mocht afleggen. Door een speciale Arubaanse regeling voor studenten heeft eiser in 2017 alsnog het rijexamen afgelegd in Aruba en zijn rijbewijs gehaald. Eiser vindt het niet rechtvaardig dat de RDW niet afwijkt van de 185 dagen eis.
5.1
De rechtbank is met de RDW van oordeel dat in de Rr aan de RDW geen bevoegdheid dan wel beslissingsruimte is toegekend om ondanks het niet hebben voldaan aan de 185 dagen eis, toch te beslissen dat het rijbewijs wordt omgewisseld. De Rr kent ook geen hardheidsclausule. De RDW heeft desgevraagd op zitting naar voren gebracht dat het om die redenen niet met eisers bijzondere individuele omstandigheden rekening kan houden en dat de RDW daarom gehouden is de aanvraag van eiser af te wijzen. De rechtbank volgt dit standpunt van de RDW niet.
5.2
De rechtbank is van oordeel dat in situaties als deze, waarin de wetgever aan een bestuursorgaan geen beslissingsruimte heeft toegekend en ook geen hardheidsclausule in de regelgeving heeft opgenomen, het evenredigheidsbeginsel zoals neergelegd in artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden toegepast om een te strikte toepassing van de wet te voorkomen. De vraag in dit verband is daarom of de voor eiser nadelige gevolgen van het bestreden besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. De rechtbank vindt dat daarvan geen sprake is. Het doel van de 185 dagen eis is helder: de wetgever wenst met dit vereiste rijbewijstoerisme te voorkomen. De gevolgen voor eiser zijn ook duidelijk: omdat eiser niet aan de 185 dagen eis voldoet kan zijn Arubaanse rijbewijs niet worden omgewisseld en zal eiser in Nederland alsnog een rijexamen moeten afleggen. Deze nadelige gevolgen voor eiser acht de rechtbank echter niet onevenredig. Daarbij is volgens de rechtbank van belang dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe groot de financiële of andere schade is die hij stelt te lijden. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat eisers beslissing om in 2016 niet in Aruba te blijven en daar rijexamen te doen, voor zijn rekening en risico moet komen. Verder heeft de RDW deugdelijk naar voren gebracht dat niet is afgeweken van het beleid ten aanzien van het terugsturen van het rijbewijs. Een Arubaans rijbewijs wordt alleen naar Aruba gestuurd als en nadat het is omgewisseld voor een Nederlands rijbewijs. In het geval van eiser is het Arubaanse rijbewijs niet omgewisseld en is het daarom niet teruggestuurd naar Aruba, maar naar eiser.

Conclusie en gevolgen

6. Nu eisers beroepsgronden niet slagen en het bestreden besluit niet in strijd is met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb, verklaart de rechtbank het beroep ongegrond. Dat betekent dat het besluit van de RDW in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van betaald griffierecht of zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. Lok, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2022.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.