ECLI:NL:RBNNE:2022:3203
Rechtbank Noord-Nederland
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Beëindiging pachtovereenkomst na verkoop deel perceel en gevolgen voor pacht van geringe oppervlakte
In deze zaak stond centraal of tussen partijen nog een reguliere pachtovereenkomst bestond over een deel van een perceel landbouwgrond nadat de pachter een ander deel van het gepachte perceel had gekocht. De oorspronkelijke overeenkomst uit 1998 betrof twee percelen met een totale oppervlakte van circa 2,47 hectare. Medio november 2010 kocht de pachter een van deze percelen, waarna alleen nog een pacht overbleef van een perceel kleiner dan 1 hectare.
De pachtkamer stelde vast dat op grond van artikel 7:395 lid 1 BW Pro de beschermende bepalingen omtrent opzegging en verlenging van pachtovereenkomsten niet van toepassing zijn op pacht van een gering perceel (maximaal 1 hectare). De pachter kon daarom niet meer aanspraak maken op de reguliere pachtbescherming. De rechtbank verwierp de stelling van de pachter dat de oorspronkelijke pacht van circa 2,47 hectare bleef gelden, omdat hij zelf een deel van het gepachte had gekocht, waardoor de resterende pacht feitelijk een gering perceel betrof.
De rechtbank oordeelde dat de pachtovereenkomst op 31 december 2021 was geëindigd en dat de opzegging door de verpachter per 26 januari 2020 niet rechtsgeldig was, omdat niet was voldaan aan de voorwaarden voor tussentijdse opzegging. Daarnaast wees de rechtbank de schadevergoeding en de vorderingen tot afgifte van hooibalen en een hooiwagen af, maar veroordeelde de verpachter wel tot afgifte van een cyclomaaier.
De proceskosten werden gecompenseerd zodat iedere partij haar eigen kosten draagt. De reconventionele vordering van de verpachter werd niet behandeld omdat de pachtovereenkomst volgens de rechtbank was geëindigd.
Uitkomst: De pachtovereenkomst is geëindigd per 31 december 2021 en de vorderingen van de pachter worden afgewezen, behalve de afgifte van een cyclomaaier.