Standpunt van de officieren van justitie
De officieren van justitie hebben veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde tot een taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Zij hebben daartoe onder meer aangevoerd dat verdachte wel eens geld van [medeverdachte 1] kreeg. Gelet op de relatie tussen [medeverdachte 1] en verdachte, haar eigen rol in het onderzoeksdossier en haar eigen verklaringen, wist verdachte dat [medeverdachte 1] zijn geld niet op legale wijze verkreeg. Verdachte heeft het bedrag van € 4.000,00 voorhanden gehad en wist dat dit bedrag van misdrijf afkomstig was. A-4110 heeft verklaard dat [medeverdachte 1] dit aan zijn vriendin, zijnde verdachte, had gegeven. Uit tapgesprekken is gebleken dat [medeverdachte 1] in de weken die volgden regelmatig bij verdachte om een deel van het afgegeven bedrag heeft gevraagd. Het bedrag van € 300,00 heeft verdachte, nadat [medeverdachte 1] dat had geregeld, van [medeverdachte 2] ontvangen. Dit geld is middellijk afkomstig van [medeverdachte 1]. Gelet op het feit dat verdachte herhaaldelijk van [medeverdachte 1] geld dat van misdrijf afkomstig is voorhanden heeft gehad in een langere periode, kan bewezen worden dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gemotiveerd betoogd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe onder meer het volgende aangevoerd. Verdachte had in de ten laste gelegde periode geen relatie met [medeverdachte 1] en was niet volledig op de hoogte van de volledige handel en wandel van [medeverdachte 1]. Er is geen bewijs voor overdracht van € 4.000,00 aan verdachte. Verdachte ontkent dit en ook [medeverdachte 1] betwist dat hij ooit een dergelijk geldbedrag aan verdachte heeft gegeven. De verdenking is gebaseerd op wat A-4110 heeft verklaard. Bij de rechtercommissaris heeft hij zijn eerdere verklaring genuanceerd en verklaard dat hij zelf niet heeft gezien of [medeverdachte 1] daadwerkelijk geld heeft afgegeven aan verdachte. Het dossier bevat ook geen ander (steun)bewijs. Verdachte heeft op 29 augustus 2019 € 300,00 ontvangen van [medeverdachte 2], zij heeft dit geld van hem geleend. Op basis van het dossier kan niet worden bewezen dat dit geld van misdrijf afkomstig is. Uit het dossier blijkt dat [medeverdachte 2] in die periode legaal geld verdiende. Gelet daarop kan niet worden aangenomen dat het geld, dat een klein bedrag is, van misdrijf afkomstig is, laat staan dat verdachte dit wist of moest vermoeden.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hierbij het volgende.
Ten aanzien van het geldbedrag van € 4.000,00 is er enig bewijs dat [medeverdachte 1] dit geldbedrag aan verdachte zou hebben gegeven. Criminele burgerinfiltrant A-4110 heeft van [medeverdachte 1] vernomen dat dit geldbedrag aan verdachte is gegeven. A-4110 heeft dit echter niet waargenomen. Verdachte ontkent dat zij dit geldbedrag heeft ontvangen en ook uit de verklaring van [medeverdachte 1] blijkt niet dat hij dit geldbedrag aan verdachte heeft gegeven. Gelet hierop acht de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van het geldbedrag van € 4.000,00.
Ten aanzien van het geldbedrag van € 300,00 is de rechtbank van oordeel dat er mede gelet op de relatief geringe hoogte van het bedrag onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om vast te stellen dat verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat dit bedrag van misdrijf afkomstig was.