ECLI:NL:RBNNE:2022:3228

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
17 augustus 2022
Publicatiedatum
2 september 2022
Zaaknummer
18/750009-20
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36b SrArt. 36d Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs witwassen geldbedragen in drugszaken

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 17 augustus 2022 uitspraak gedaan in een zaak tegen verdachte die werd verdacht van gewoontewitwassen van geldbedragen afkomstig uit drugshandel in Leeuwarden tussen april en augustus 2019.

Het openbaar ministerie vorderde een taakstraf wegens het herhaaldelijk voorhanden hebben van geldbedragen waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze uit misdrijf afkomstig waren. De officieren baseerden zich onder meer op verklaringen van een criminele burgerinfiltrant en tapgesprekken die geldtransacties met medeverdachten aantoonden.

De verdediging betoogde dat verdachte geen relatie had met de medeverdachte die het geld zou hebben gegeven, ontkende ontvangst van het grootste bedrag en stelde dat het kleinere bedrag legaal was geleend. De rechtbank oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om wettig en overtuigend vast te stellen dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan witwassen. Daarom sprak zij verdachte vrij.

Daarnaast werden drugsgerelateerde goederen en illegaal vuurwerk in beslag genomen en onttrokken aan het verkeer verklaard. De in beslag genomen telefoon van verdachte werd teruggegeven omdat verdachte werd vrijgesproken van het ten laste gelegde.

De rechtbank baseerde haar oordeel onder meer op artikelen 36b en 36d van het Wetboek van Strafrecht zoals die op het moment van uitspraak golden.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van gewoontewitwassen wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht Locatie
Leeuwarden
parketnummer 18/750009-20
vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 17 augustus 2022 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats], wonende te [straatnaam], [woonplaats].
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 21 maart 2022, 13 april 2022 en 26 april 2022. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 17 augustus 2022. De verdachte is verschenen op 21 maart 2022 en 13 april 2022, bijgestaan door mr. A.J. Sprey, advocaat te Haarlem. Op 26 april 2022 is verdachte niet verschenen, wel is verschenen mr. A.J. Sprey.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. M.S. Kappeyne van de Coppello en mr. G. Veenstra op 21 maart 2022 en door mr. M.S. Kappeyne van de Coppello en mr. H.J. Mous op 13 april 2022 en 26 april 2022.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
zij in of omstreeks de periode van 13 april 2019 tot en met 29 augustus 2019, in Leeuwarden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, voorwerpen, te weten geldbedragen, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet en/of daarvan gebruik heeft gemaakt, te weten
  • in of omstreeks de periode van 13 april 2019 tot en met 11 mei 2019 een bedrag van 4000 euroen/of delen van dat bedrag en/of
  • op of omstreeks 29 augustus 2019 een bedrag van 300 euro
terwijl zij (telkens) wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat die geldbedragen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf en zij van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officieren van justitie
De officieren van justitie hebben veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde tot een taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Zij hebben daartoe onder meer aangevoerd dat verdachte wel eens geld van [medeverdachte 1] kreeg. Gelet op de relatie tussen [medeverdachte 1] en verdachte, haar eigen rol in het onderzoeksdossier en haar eigen verklaringen, wist verdachte dat [medeverdachte 1] zijn geld niet op legale wijze verkreeg. Verdachte heeft het bedrag van € 4.000,00 voorhanden gehad en wist dat dit bedrag van misdrijf afkomstig was. A-4110 heeft verklaard dat [medeverdachte 1] dit aan zijn vriendin, zijnde verdachte, had gegeven. Uit tapgesprekken is gebleken dat [medeverdachte 1] in de weken die volgden regelmatig bij verdachte om een deel van het afgegeven bedrag heeft gevraagd. Het bedrag van € 300,00 heeft verdachte, nadat [medeverdachte 1] dat had geregeld, van [medeverdachte 2] ontvangen. Dit geld is middellijk afkomstig van [medeverdachte 1]. Gelet op het feit dat verdachte herhaaldelijk van [medeverdachte 1] geld dat van misdrijf afkomstig is voorhanden heeft gehad in een langere periode, kan bewezen worden dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gemotiveerd betoogd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe onder meer het volgende aangevoerd. Verdachte had in de ten laste gelegde periode geen relatie met [medeverdachte 1] en was niet volledig op de hoogte van de volledige handel en wandel van [medeverdachte 1]. Er is geen bewijs voor overdracht van € 4.000,00 aan verdachte. Verdachte ontkent dit en ook [medeverdachte 1] betwist dat hij ooit een dergelijk geldbedrag aan verdachte heeft gegeven. De verdenking is gebaseerd op wat A-4110 heeft verklaard. Bij de rechtercommissaris heeft hij zijn eerdere verklaring genuanceerd en verklaard dat hij zelf niet heeft gezien of [medeverdachte 1] daadwerkelijk geld heeft afgegeven aan verdachte. Het dossier bevat ook geen ander (steun)bewijs. Verdachte heeft op 29 augustus 2019 € 300,00 ontvangen van [medeverdachte 2], zij heeft dit geld van hem geleend. Op basis van het dossier kan niet worden bewezen dat dit geld van misdrijf afkomstig is. Uit het dossier blijkt dat [medeverdachte 2] in die periode legaal geld verdiende. Gelet daarop kan niet worden aangenomen dat het geld, dat een klein bedrag is, van misdrijf afkomstig is, laat staan dat verdachte dit wist of moest vermoeden.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hierbij het volgende.
Ten aanzien van het geldbedrag van € 4.000,00 is er enig bewijs dat [medeverdachte 1] dit geldbedrag aan verdachte zou hebben gegeven. Criminele burgerinfiltrant A-4110 heeft van [medeverdachte 1] vernomen dat dit geldbedrag aan verdachte is gegeven. A-4110 heeft dit echter niet waargenomen. Verdachte ontkent dat zij dit geldbedrag heeft ontvangen en ook uit de verklaring van [medeverdachte 1] blijkt niet dat hij dit geldbedrag aan verdachte heeft gegeven. Gelet hierop acht de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van het geldbedrag van € 4.000,00.
Ten aanzien van het geldbedrag van € 300,00 is de rechtbank van oordeel dat er mede gelet op de relatief geringe hoogte van het bedrag onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om vast te stellen dat verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat dit bedrag van misdrijf afkomstig was.

Inbeslaggenomen goederen

Vordering van de officieren van justitie
De officieren van justitie hebben gevorderd alle drugs gerelateerde goederen en het illegale vuurwerk te onttrekken aan het verkeer en de twee in beslag genomen telefoons verbeurd te verklaren.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gepleit voor teruggave van de in beslag genomen telefoons en heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de drugs gerelateerde goederen en het illegale vuurwerk.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht de aan verdachte toebehorende inbeslaggenomen drugs gerelateerde goederen en het illegale vuurwerk vatbaar voor onttrekking aan het verkeer nu zij bij gelegenheid van het onderzoek naar het ten laste gelegde zijn aangetroffen, terwijl het ongecontroleerde bezit daarvan door verdachte in strijd is met de wet of het algemeen belang.
De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen telefoon moet worden teruggegeven aan verdachte nu de rechtbank verdachte vrijspreekt van het ten laste gelegde.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36b en 36d van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Inbeslaggenomen goederen

Verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen:

  • Zakje met een wit brokje;
  • Zakje met wit poeder;
  • Hartje licht roze;
  • Plastic fles met soda;
  • Plastic doorzichtige fles met vloeistof;
  • Flesje met doorzichtige vloeistof;
  • Plastic zakje met wit poeder;
  • Wit flesje met onbekend vloeistof;
  • Plastic buisje met onbekende vloeistof;
  • Vuurwerk cobra;
  • Zakje drugs;
  • Plastic zakje met wit poeder; - Zakje met roodbruine pillen.
Gelast de teruggaveaan verdachte van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven telefoon van het merk Samsung, kleur zwart (uit auto [kenteken]).
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Brinksma, voorzitter, mr. F. Sieders en mr. J.V. Nolta, rechters, bijgestaan door mr. W.D. de Boer en mr. C.G. Velvis, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 augustus 2022.