De zaak betreft een verzoek van de Gecertificeerde Instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van drie minderjarige kinderen, geboren in 2005, 2010 en 2011, die momenteel in pleegzorg verblijven. De vader oefent het ouderlijk gezag uit over alle kinderen, de moeder over twee van hen. De procedure werd op 13 januari 2022 met gesloten deuren behandeld waarbij de oudste minderjarige, de vader en vertegenwoordigers van de GI aanwezig waren.
De GI heeft zorgen geuit over de fysieke en emotionele beschikbaarheid van de vader, de invloed van zijn vriendin op het gezin en de onveilige thuissituatie, waaronder huiselijk geweld. De oudste kinderen namen zorgtaken over, wat duidt op parentificatie. Ondanks pogingen tot hulpverlening is er geen verbetering zichtbaar. De vader erkent de verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging voor zijn oudste kind, maar verzet zich tegen verlenging voor de jongere kinderen.
De kinderrechter oordeelt dat de ontwikkelingsbedreigingen en veiligheidsrisico's nog steeds aanwezig zijn. De vader toont onvoldoende inzicht en openheid voor hulpverlening, wat de situatie bemoeilijkt. De GI heeft een perspectiefonderzoek aangevraagd dat binnen negen maanden inzicht moet geven in het gezinssysteem en mogelijkheden voor terugplaatsing. De kinderrechter verlengt daarom de ondertoezichtstelling tot 29 januari 2023 en de machtiging tot uithuisplaatsing tot 29 oktober 2022, met een herbeoordeling gepland in oktober 2022.