In deze civiele procedure heeft eiser gesteld dat het verstekvonnis van 25 augustus 2021 ten uitvoer is gelegd door middel van een executoriaal derdenbeslag en daaropvolgende betalingen door de derdenbeslagene. Eiser bracht bewijsstukken in, waaronder een exploot en betalingsbewijzen, die aantonen dat het vonnis op 18 oktober 2021 ten uitvoer is gelegd.
Gedaagden kwamen vervolgens op 2 december 2021 in verzet tegen het verstekvonnis, maar dit was na het verstrijken van de wettelijke termijn van vier weken die ingaat op de dag van uitvoering van het vonnis. De rechtbank oordeelt dat gedaagden daarom niet-ontvankelijk zijn in het verzet.
Omdat het verzet op formele gronden niet-ontvankelijk is verklaard, komt de rechtbank niet toe aan inhoudelijke behandeling van het geschil. Gedaagden worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eiser. De vordering in reconventie, die afhankelijk was van vernietiging van het verstekvonnis, wordt niet behandeld en er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken in reconventie.