Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
vonnis van de kantonrechter ex art. 254 lid 5 Rv Pro d.d. 23 september 2022
[A] ,
[B] ,
Procesverloop
Motivering
De feiten
€ 6.806,25
Rechtbank Noord-Nederland
In deze kortgedingprocedure vordert verhuurder [A] dat huurder [B], die verstek liet gaan, de gehuurde woonruimte uiterlijk 1 oktober 2022 bezemschoon en ontruimd verlaat. Tevens vordert zij een dwangsom voor elke dag dat de huurder in gebreke blijft, betaling van huur naar rato, een voorschot op schadevergoeding wegens tekortkoming jegens de nieuwe huurder, en een integrale proceskostenveroordeling.
De huurovereenkomst was aangegaan voor de periode van 20 november 2021 tot 19 november 2022, waarbij de huur vooruitbetaald was. [B] had per 1 oktober 2022 opgezegd en een deel van de huur reeds terugontvangen. Desondanks weigert hij de woning te verlaten en eist geldbedragen van [A]. Ondertussen is met een nieuwe huurder een overeenkomst gesloten vanaf 3 oktober 2022.
De kantonrechter stelt vast dat de dagvaarding rechtsgeldig betekend is en verleent verstek tegen [B]. Gezien het spoedeisend belang van [A] en de aannemelijkheid dat [B] per 1 oktober 2022 geen gebruiksrecht meer heeft, worden de gevorderde maatregelen toegewezen. De proceskosten worden integraal aan [B] opgelegd, inclusief wettelijke rente vanaf datum vonnis. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Huurder wordt bij verstek veroordeeld tot ontruiming, betaling van dwangsom, huur en proceskosten.