Verzoeker, een asielzoeker van Syrische nationaliteit, verbleef samen met zijn gezin in een AZC in Grave. Na het verkrijgen van afgeleide verblijfsvergunningen voor zijn ouders en zus, verhuisde het gezin in augustus 2022 naar passende woonruimte in ’s-Hertogenbosch. Verzoeker verhuisde niet mee omdat zijn aanvraag voor een nareisvergunning was afgewezen en hij een zelfstandige asielaanvraag had gedaan. Op 6 oktober 2022 werd verzoeker medegedeeld dat hij het AZC in Grave per 7 oktober moest verlaten en zich bij zijn gezin in de woonruimte moest voegen.
Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht om een voorlopige voorziening om zijn opvang in het AZC te continueren. De voorzieningenrechter oordeelde dat het beleid en de Regeling verstrekkingen asielzoekers (Rva 2005) niet voorschrijven dat verzoeker met administratieve plaatsing bij zijn gezinsleden in de gemeentewoonruimte kan worden gehuisvest, omdat hij geen nareisvergunning heeft. De voorzieningenrechter merkte op dat het beleid alleen ziet op nareizigers die definitief mogen uitstromen naar gemeentelijke woningen, wat niet op verzoeker van toepassing is.
De voorzieningenrechter concludeerde dat het bestreden besluit waarschijnlijk geen stand zal houden in het bodemgeding en besloot daarom de voorlopige voorziening toe te wijzen. Hierdoor mag verzoeker in het AZC te Grave blijven tot vier weken na de beslissing op het beroep, zolang hij recht heeft op opvang. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van verzoeker.