Art. 39 WWETGCArt. 19 lid 1 onder h Verordening 2018/1805Art. 6 EVRMArt. 47 Handvest EUArt. 1 lid 3 Verordening 2018/1805
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling beroep tegen erkenning en tenuitvoerlegging confiscatiebeslissing na lange executievertraging
Veroordeelde stelde beroep in tegen de erkenning en tenuitvoerlegging van een confiscatiebeslissing van 29 april 2014 door het Hof van beroep te Gent, België, waarbij een bedrag van €42.000 werd gevorderd. Het beroep is ingesteld op grond van artikel 39 vanPro de WWETGC en de EU-Verordening 2018/1805.
De verdediging voerde aan dat de erkenning moest worden geweigerd wegens overschrijding van de redelijke termijn van ruim zeven jaar tussen het onherroepelijk worden van de beslissing en de executie, wat een schending van het recht op een eerlijk proces zou zijn. Tevens werd betoogd dat niet was voldaan aan het beginsel van noodzakelijkheid en dat er sprake was van willekeur.
De rechtbank oordeelde dat artikel 19 lid 1 onderPro h van Verordening 2018/1805 alleen ziet op het onderliggende rechtsgeding en niet op de tenuitvoerlegging. Er was geen sprake van een manifeste schending van grondrechten in het onderliggende proces. De noodzaak en proportionaliteit van het bevel worden door de uitvaardigende autoriteit bepaald, en de uitvoerende staat mag erkenning niet weigeren op andere gronden dan in de verordening genoemd. De verjaringstermijn voor tenuitvoerlegging liep tot 29 april 2024, zodat het recht op executie nog bestond.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde dat de officier van justitie in redelijkheid tot erkenning en tenuitvoerlegging heeft kunnen besluiten.
Uitkomst: Het beroep tegen de erkenning en tenuitvoerlegging van de confiscatiebeslissing wordt ongegrond verklaard.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht Locatie Leeuwarden
rekestnummer 22-006924 cjib-zaaknummer 300000191
Beslissing van de meervoudige raadkamer d.d. 12 oktober 2022 op het beroep ex artikel 39 vanPro de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie, ingesteld door
[veroordeelde] ,geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende te [woonadres] , hierna: veroordeelde, raadsman mr. M.A.W. Nillesen, advocaat te ‘s-Hertogenbosch.
Procesverloop
Op 1 april 2022 is namens veroordeelde beroep ingesteld tegen de op 1 maart 2022 genomen beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging van een op 29 april 2014 door het Hof van beroep te Gent, België, opgelegde beslissing tot confiscatie van een bedrag van € 42.000,00.
De raadsman en de officier van justitie hebben schriftelijk hun standpunten uiteengezet en diverse stukken ingebracht. De mondelinge behandeling heeft op 28 september 2022 plaatsgevonden. Veroordeelde is niet verschenen, wel is verschenen zijn raadsvrouw mr. S. de Ridder, een kantoorgenoot van mr. Nillesen, die verklaarde uitdrukkelijk tot de verdediging te zijn gemachtigd. Het openbaar ministerie is bij de behandeling vertegenwoordigd door mr. M. Kappeyne van de Coppello.
Motivering
1. Het beroep is ingesteld op grond van artikel 39 vanPro de Wet wederzijdse erkenning entenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie (WWETGC).
De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, is de bevoegde instantie voor de behandeling van het beroep.
2. Het beroep is tijdig en juist ingesteld, onder indiening van een beroepschrift.
3. De toetsing van het beroep vindt plaats op grond van de op 19 december 2020 in werking getredenVerordening (EU) 2018/1805 van het Europees parlement en de Raad van 14 november 2018 (hierna ook te noemen: Verordening 2018/1805) en op grond van het op 19 december 2020 in werking getreden artikel 39 vanPro de WWETGC.
4. Als uitgangspunten voor de beoordeling van een beroep op grond van artikel 39 vanPro de WWETGCgelden:
de rechtbank moet toetsen of de officier van justitie in redelijkheid tot zijn beslissing tot erkenning heeft kunnen komen;
de officier van justitie mag bij zijn beoordeling niet treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen;
de rechtbank mag bij haar beoordeling evenmin treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen.
5. De verdediging heeft een beroep gedaan op de facultatieve weigeringsgrond van artikel 19 lid 1 onderPro h Verordening 2018/1805 omdat er sprake is van een manifeste schending van artikel 47 vanPro het Handvest van de Europese Unie en van artikel 6 vanPro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De verdediging heeft daartoe gesteld dat het recht op behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn is geschonden. De Belgische autoriteiten zijn pas na zeven jaar en drie maanden overgegaan tot het innen van het opgelegde bedrag. Daarvoor heeft betrokkene niets vernomen en bij hem is een gerechtvaardigd vertrouwen ontstaan dat de beslissing niet aan Nederland zou worden overgedragen. De erkenning is daarmee in strijd met een goede proces- en rechtsorde en dient te worden geweigerd.
6. De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 19, eerste lid aanhef en onder h, Verordening2018/1805 is vastgelegd dat het mogelijk is om een confiscatiebevel niet te erkennen en niet ten uitvoer te leggen wanneer op basis van specifieke en objectieve gegevens aan te nemen is dat tenuitvoerlegging zou leiden tot een manifeste schending van een in het Handvest vervat grondrecht, met name het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, het recht op een onpartijdig gerecht en de rechten van de verdediging. Mocht de officier van justitie deze weigeringsgrond overwegen, zo stelt lid 2 van dit artikel, dan moet er overleg plaatsvinden met de uitvaardigende autoriteit en kan de officier van justitie de uitvaardigende autoriteit verzoeken alle benodigde gegevens te verstrekken. Dit benadrukt dat het verzoek tot erkenning niet lichtvaardig terzijde kan worden geschoven. Zoals ook in overweging (34) van de Verordening 2018/1805 is aangegeven, gaat het hierbij immers om een uitzondering op het binnen de Unie geldende onderling vertrouwen en op de veronderstelling dat alle lidstaten zich houden aan het recht van de Unie, met name de grondrechten. Dit artikel ziet daarmee op het onderliggende rechtsgeding waaruit de ten uitvoer te leggen veroordeling is voortgevloeid. Er is niet gesteld noch gebleken dat er ten aanzien van het geding leidend tot de beslissing van 29 april 2014 sprake is geweest van een manifeste schending van een grondrecht.
7. Ten aanzien van de gestelde schending van artikel 6 vanPro het EVRM overweegt de rechtbank datbij deze procedure in het kader van de WWETGC er geen sprake is van een vervolging van veroordeelde. Het gaat hier om tenuitvoerlegging van een tegen veroordeelde gewezen en inmiddels onherroepelijk geworden arrest. Uit het recht volgt niet dat overschrijding van een bepaald tijdverloop tussen het onherroepelijk worden van de uitspraak en de tenuitvoerlegging daarvan in strijd is met een goede procesorde of rechtsorde, afgezien van de bij de wet geregelde (executie)verjaring waarvan nog geen sprake is.
8. De rechtbank verwerpt dan ook het gedane beroep op artikel 19, lid 1 onder h, van deVerordening 2018/1805.
9. De verdediging heeft subsidiair betoogd dat er sprake is van schending van artikel 1 lid 3 vanPro deVerordening 2018/1805 omdat de noodzaak van erkenning na het verstrijken van 7 jaar en 3 maanden onvoldoende vast staat en onvoldoende duidelijk is gemaakt. Daarnaast is er sprake van willekeur door het confiscatiebevel op dit moment te erkennen terwijl daarvan de afgelopen zeven jaar en drie maanden geen noodzaak voor werd gezien door de Belgische autoriteiten. De raadsman heeft daarbij voorts gesteld een zaak als de onderhavige nimmer te zijn tegengekomen. Omdat er niet is voldaan aan het beginsel van noodzakelijkheid en er sprake is van willekeur dient de erkenning te worden geweigerd, aldus de raadsman.
10. De rechtbank overweegt als volgt.
11. Artikel 1 lid 3 vanPro de Verordening 2018/1805 luidt:
“De uitvaardigende autoriteit zorgt ervoor dat de beginselen van noodzakelijkheid en proportionaliteit in acht worden genomen bij de uitvaardiging van een bevriezings- of confiscatiebevel.”
12. De door het openbaar ministerie in haar schriftelijke reactie genoemde preambule 12 van deVerordening 2018/1805 luidt als volgt:
“De wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen moet worden vergemakkelijkt door de lidstaten te verplichten een door een andere lidstaat in het kader van een procedure in strafzaken uitgevaardigd bevriezingsbevel of confiscatiebevel zonder verdere formaliteiten op hun grondgebied te erkennen en ten uitvoer te leggen.”
13. Preambule 15 van de Verordening 2018/1805 geeft nog aan:
“Samenwerking tussen de lidstaten, die is gebaseerd op het beginsel van wederzijdse erkenning en de onmiddellijke tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen, veronderstelt het vertrouwen dat de te erkennen en ten uitvoer te leggen beslissingen steeds zullen worden gegeven overeenkomstig de beginselen van legaliteit, subsidiariteit en evenredigheid. Dergelijke samenwerking veronderstelt dat de rechten van personen ten aanzien van wie een bevriezingsbevel of een confiscatiebevel is uitgevaardigd, worden gewaarborgd.”
14. Preambule 21 van de Verordening 2018/1805 ten slotte, luidt:
“De uitvaardigende autoriteit dient er bij het uitvaardigen van een bevriezingsbevel of een confiscatiebevel op toe te zien dat de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid worden geëerbiedigd. Krachtens deze verordening mag een bevriezingsbevel of confiscatiebeslissing uitsluitend worden uitgevaardigd en aan een uitvoerende autoriteit van een andere lidstaat worden toegezonden indien een dergelijk bevel tevens in een binnenlandse zaak had kunnen worden afgegeven en gebruikt. De uitvaardigende autoriteit moet in elk afzonderlijk geval met de beoordeling van de noodzaak en evenredigheid van dergelijke bevelen worden belast, aangezien de erkenning en tenuitvoerlegging van bevriezings- en confiscatiebevelen niet op andere dan de in deze verordening genoemde gronden mogen worden geweigerd.”
15. Uit het samenstel van deze overwegingen vloeit voort dat de uitvaardigende autoriteit zelfbepaalt of er, bij het uitvaardigen van een confiscatiebevel, sprake is van noodzakelijkheid en evenredigheid. De uitvoerende staat mag de erkenning van een uitgevaardigd confiscatiebevel niet weigeren op andere dan in de verordening genoemde gronden en is gehouden het uitgevaardigde confiscatiebevel zonder verdere formaliteiten te erkennen en ten uitvoer te leggen. Daar komt bij dat de in artikel 1 lid 3 vanPro de Verordening 2018/1805 neergelegde verplichting voor de uitvaardigende autoriteit ziet op de noodzakelijkheid en proportionaliteit van het uitvaardigen van het confiscatiebevel, niet van het daaropvolgende tenuitvoerleggen van dit bevel.
15. De rechtbank overweegt voorts dat uit de door de uitvaardigende autoriteit toegezondenstukken blijkt dat de verjaringstermijn voor tenuitvoerlegging van de beslissing tot confiscatie loopt tot 29 april 2024. Het recht tot tenuitvoerlegging bestond op het moment van erkenning van de beslissing door de officier van justitie. Dat er na het onherroepelijk worden van de beslissing een flink aantal jaren is verstreken maakt niet dat er sprake is van willekeur bij het nemen van stappen om te komen tot de feitelijke tenuitvoerlegging van de beslissing. Het gegeven dat de raadsman in zijn praktijk niet eerder een zaak is tegengekomen waarbij sprake was van een vergelijkbare lange termijn als in de onderhavige zaak, maakt dit niet anders. De rechtbank sluit zich tot slot nog aan bij de stelling van het openbaar ministerie dat het ontbreken van noodzakelijkheid en/of strijd met het beginsel van willekeur niet in artikel 19, lid 1, van de Verordening 2018/1805 zijn opgenomen als weigeringsgrond voor het erkennen en tenuitvoerleggen van een door een lidstaat genomen beslissing tot confiscatie. In aanmerking genomen dat bevriezings- en confiscatiebevelen niet op andere dan de in Verordening 2018/1805 genoemde gronden mogen worden geweigerd, kan erkenning niet worden geweigerd op de door de raadsman gestelde gronden.
De rechtbank verwerpt dan ook dit subsidiair gevoerde verweer.
17. Bij de behandeling van het beroep ter zitting heeft de raadsvrouw aangevoerd het meersubsidiair ingediende verzoek tot uitstel als bedoeld in artikel 21, lid 1 onder a, van de Verordening 2018/1805 te laten vervallen. Het is daarom niet nodig dat de rechtbank hierover een beslissing neemt.
17. De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie in redelijkheid heeft kunnen afzien vanhet gebruikmaken van een van de weigeringsgronden van artikel 19 vanPro Verordening 2018/1805 en dat hij in redelijkheid tot de beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging heeft kunnen komen. De rechtbank zal het ingestelde beroep dan ook ongegrond verklaren.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 12 oktober 2022 door mr. W.S. Sikkema, voorzitter, mr. M. Brinksma en mr. N.A. Vlietstra, rechters, bijgestaan door T.L. Komrij, griffier.