ECLI:NL:RBNNE:2022:4300

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
15 november 2022
Publicatiedatum
18 november 2022
Zaaknummer
186073
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nihilstelling kinderalimentatie tijdens schuldhulpverlening

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 15 november 2022 een beschikking gegeven waarin de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn minderjarige kinderen op nihil wordt gesteld. Dit verzoek werd ingediend door de vennootschap die als bewindvoerder is aangesteld, vanwege het feit dat de man niet in staat is alimentatie te betalen door beslaglegging op zijn inkomen.

De man is sinds 4 mei 2022 toegelaten tot een schuldhulpverleningstraject en heeft een schuldregelingsovereenkomst ondertekend. In het Vrij Te Laten Bedrag wordt geen rekening gehouden met kinderalimentatie. De vrouw en de kinderen hebben geen verweer gevoerd tegen het verzoek.

De rechtbank constateerde een kennelijke vergissing in het verzoekschrift doordat de werknemer van de bewindvoerder als verzoeker werd vermeld in plaats van de vennootschap zelf, maar achtte dit niet onredelijk voor de wederpartij. De rechtbank wijzigde de eerdere beschikking van 2014 en stelde de alimentatiebijdrage op nihil voor de duur van de schuldhulpverlening, waarbij de beschikking uitvoerbaar bij voorraad werd verklaard.

Uitkomst: De bijdrage van de man in de kinderalimentatie wordt per 4 mei 2022 op nihil gesteld voor de duur van de schuldhulpverlening.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie Leeuwarden
zaak-/rekestnummer: C/17/186073 / FA RK 22-1687
beschikking van de enkelvoudige kamer d.d. 15 november 2022
inzake
[bewindvoerder] B.V.,
gevestigd te [plaatsnaam] , in de hoedanigheid van bewindvoerder van:
[de man],
wonende te [woonplaats] ,
hierna ook te noemen de man,
advocaat mr. E.M. Gilsing, kantoorhoudende te Drachten,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna ook te noemen de vrouw,
niet in rechte verschenen,
en
[de jongmeerderjarige] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna ook te noemen de zoon,
niet in rechte verschenen.

1.Het procesverloop

1.1.
[bewindvoerder] B.V. heeft in de hoedanigheid van bewindvoerder van de man bij verzoekschrift, ingekomen bij de griffie op 29 september 2022, verzocht om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat met ingang van 4 mei 2022 de bijdrage van de man in de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarige [naam] en de kosten van levensonderhoud en studie van [de jongmeerderjarige] per maand op nihil wordt gesteld, althans een bedrag en ingangsdatum in goede justitie te bepalen.
1.2.
Op 11 oktober 2022 en op 24 oktober 2022 zijn stukken nagezonden door de verzoekende partij.
1.3.
De vrouw en de zoon zijn in de gelegenheid gesteld om een verweerschrift in te dienen. De rechtbank stelt vast dat deze brieven per aangetekende post naar de vrouw en de zoon zijn verzonden en dat voor ontvangst van deze brieven is getekend. De vrouw en de zoon hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een verweerschrift in te dienen
1.4.
De zaak is pro forma behandeld.

2.De feiten

2.1.
De man en de vrouw hebben een relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van:
- [de jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2002 in de gemeente [naam] ;
- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2008 in de gemeente [naam] .
2.2.
[de jongmeerderjarige] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de man. [de minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw.
2.3.
Partijen zijn in een ouderschapsplan - dat deel uitmaakt van de beschikking van deze rechtbank van 15 oktober 2014 (verbeterd bij beschikking van 29 oktober 2014) - overeengekomen dat de man € 87,08 (geïndexeerd naar 2022) per kind per maand moet voldoen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding/levensonderhoud en studie van de kinderen.

3.De beoordeling

De ontvankelijkheid
3.1.
De rechtbank constateert dat er sprake is van een kennelijke vergissing in het verzoekschrift, nu de uitvoerend bewindvoerder, de heer [naam] , als verzoekende partij is vermeld, terwijl de
B.V.[bewindvoerder] blijkens het curatele- en bewindregister als bewindvoerder is benoemd. Het is de vennootschap die formeel de bewindvoerder is, niet haar werknemer. Nu niet gesteld noch gebleken is dat de vrouw en de zoon door de kennelijke vergissing onredelijk in hun belangen zijn geschaad, zal de rechtbank [bewindvoerder] B.V. ontvangen in diens verzoek.
De inhoudelijke beoordeling
3.2.
De man heeft in zijn verzoekschrift aangevoerd dat hij niet meer in staat is om een bijdrage te leveren in de kosten van verzorging en opvoeding en de kosten van levensonderhoud en studie van de kinderen, omdat er beslag is gelegd op zijn inkomen. De man is op 4 mei 2022 toegelaten tot een schuldhulpverleningstraject van de Gemeentelijke Kredietbank en heeft op 4 juli 2022 een overeenkomst tot schuldregeling ondertekend. In het Vrij Te Laten Bedrag (VTLB) wordt geen rekening gehouden met te betalen kinderalimentatie.
3.3.
Gelet op de in het verzoekschrift gestelde feiten, de omstandigheid dat door de vrouw en de zoon geen verweer is gevoerd en op de maatstaven van de wet, is de rechtbank van oordeel dat het verzoek behoort te worden toegewezen, nu haar dit niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt.

4.Beslissing

De rechtbank:
4.1.
wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 15 oktober 2014 (verbeterd bij beschikking van 29 oktober 2014) aldus, dat zij als volgt beslist:
stelt met ingang van 4 mei 2022 de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2008 in de gemeente [naam] , en de kosten van levensonderhoud en studie van [de jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2002 in de gemeente [naam] , op nihil voor de duur van de schuldhulpverlening;
4.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven te Leeuwarden door mr. G.J. Baken, (kinder)rechter, bijgestaan door de griffier en in het openbaar uitgesproken op 15 november 2022.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden.
fn:
871