De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 6 december 2022 een vordering van het Openbaar Ministerie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde, die eerder was veroordeeld voor betrokkenheid bij hennepteelt en andere strafbare feiten. De officier van justitie vorderde een bedrag van €227.294,73, maar de rechtbank stelde het voordeel vast op €43.170.
Veroordeelde was aanwezig bij de zitting en werd bijgestaan door zijn raadsman. De verdediging betoogde dat niet vaststaat dat veroordeelde 13 oogsten uit eigen kwekerijen heeft gehad, maar de rechtbank concludeerde op basis van verklaringen en bankonderzoek dat veroordeelde zich meermalen schuldig heeft gemaakt aan overtreding van de Opiumwet door betrokkenheid bij hennepteelt, waarbij hij contante opbrengsten ontving.
De rechtbank oordeelde dat de officier van justitie ontvankelijk was in de vordering, ondanks het ontbreken van een proces-verbaal van de zitting waarop de vordering werd aangekondigd, omdat uit aantekeningen bleek dat veroordeelde tijdig op de hoogte was gesteld. De rechtbank legde veroordeelde de verplichting op om €43.170 aan de Staat te betalen en bepaalde de maximale duur van gijzeling op 863 dagen.