De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 30 november 2022 de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van medeplichtigheid aan een drugstransport en witwassen van geldbedragen afkomstig uit misdrijf.
De tenlastelegging betrof onder meer het helpen bij een drugstransport met heroïne en cocaïne in de periode september-oktober 2020 en het witwassen van 54.243 euro via een bedrijf waarvan verdachte eigenaar was. De rechtbank stelde vast dat verdachte weliswaar betrokken was bij het openen van een pand waar het transport plaatsvond, maar dat niet bewezen kon worden dat hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat het om een drugstransport ging.
Daarnaast oordeelde de rechtbank dat verdachte niet wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat zijn bankrekening werd gebruikt voor witwassen, mede omdat medeverdachte 1 de feitelijke controle had over de bankzaken en verdachte als katvanger fungeerde.
De officier van justitie en de verdediging vorderden vrijspraak, waarna de rechtbank verklaarde dat de tenlasteleggingen niet bewezen waren en sprak verdachte vrij.
Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer, waarbij een van de rechters niet kon medeondertekenen.