Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen de omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Súdwest-Fryslân heeft verleend aan een derde belanghebbende voor het bouwen van zes recreatiewoningen op een perceel met een bestemming voor watersportbedrijf.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 28 november 2022 behandeld en beoordeelt of de omgevingsvergunning in redelijkheid is verleend. De vergunning is verleend op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten derde, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), waarbij is vastgesteld dat geen strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat een goede ruimtelijke onderbouwing aanwezig is.
Verzoeker stelde onder meer dat geen verklaring van geen bedenkingen was afgegeven en dat het bouwplan de leefbaarheid van het dorp onevenredig zou aantasten. De voorzieningenrechter oordeelt echter dat de juiste procedure is gevolgd, dat inspraak is geboden, en dat de ruimtelijke onderbouwing voldoende aantoont dat het plan past binnen het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid en dat milieuhygiënische aspecten geen belemmeringen vormen.
Gelet op deze overwegingen is het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Dit oordeel is voorlopig en bindt de rechtbank niet in het bodemgeding. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van griffierecht.