ECLI:NL:RBNNE:2022:4872

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
5 december 2022
Publicatiedatum
22 december 2022
Zaaknummer
185818
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:207 lid 1 aanhef en sub b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling ouderschap overleden vader na gerechtelijk verzoek

Verzoeker heeft de rechtbank verzocht het ouderschap van de overleden heer [naam vader] vast te stellen. De rechtbank erkent dat het kind een onbeperkte termijn heeft om dit verzoek in te dienen, ook na overlijden van de vermeende vader.

De rechtbank merkt de halfzus en halfbroer als belanghebbenden aan, die niet op de zitting aanwezig waren, maar hun oom wel. Verzoeker heeft verklaard over het contact met de heer [naam vader] en heeft foto's getoond ter ondersteuning. Daarnaast hebben de broer van de heer [naam vader] en diens echtgenote verklaard dat het bekend was dat hun broer een derde kind had.

De rechtbank overweegt dat de stelplicht en bewijslast bij verzoeker liggen en dat DNA-onderzoek niet verplicht is, maar gezien de financiële belangen en de onomkeerbare gevolgen van vaststelling, wordt DNA-onderzoek gelast om met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid het vaderschap vast te stellen.

Verzoeker wordt opgedragen zich uit te laten over het type DNA-onderzoek en betrokken personen, waarna belanghebbenden kunnen reageren. De zaak wordt aangehouden voor verdere behandeling.

Uitkomst: De rechtbank houdt de zaak aan en gelast DNA-onderzoek om het vaderschap met zekerheid vast te stellen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie Leeuwarden
zaak-/rekestnummer: C/17/185818 / FA RK 22-1572
beschikking van de enkelvoudige kamer d.d. 25 november 2022
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
hierna ook te noemen verzoeker,
advocaat mr. G.J. van Kammen, kantoorhoudende te Leeuwarden.
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[halfzus] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna ook te noemen [halfzus] ,
en
[halfbroer]
wonende te [woonplaats] ,
hierna ook te noemen [halfbroer]

1.Procesverloop

1.1.
Verzoeker heeft de rechtbank bij verzoekschrift verzocht om - kort gezegd - vaststelling van het ouderschap van de heer [naam vader] , overleden op [dag 2] 2020.
1.2.
De rechtbank heeft kennisgenomen van een email-bericht van de belanghebbenden, ontvangen op 9 november 2022.
1.3.
Ter zitting van 14 november 2022 is de zaak behandeld in aanwezigheid verzoeker en zijn advocaat en als informanten waren aanwezig de heer [naam oom] (broer van de heer [naam vader] ) en zijn echtgenote.

2.Motivering

2.1.
Verzoeker verzoekt om vaststelling van het ouderschap van de heer [naam vader] , geboren op 31 oktober 1945 te [geboorteplaats] en overleden op [dag 2] 2020 in [plaats] .
2.2.
In beginsel worden in zaken als deze de afstammelingen van de overledene als belanghebbenden aangemerkt. Dat zijn [halfzus] en [halfbroer] . Zij hebben de rechtbank bericht dat zij niet op de zitting aanwezig zullen zijn, omdat dat na overleg niet nodig (b)lijkt te zijn. Hun oom, broer van hun vader, zal aanwezig zijn. Dit is de heer [naam oom] , die de rechtbank als informant heeft opgeroepen.
2.3.
De moeder van verzoeker, mevrouw [naam moeder] is net als de heer [naam vader] overleden.
2.4.
De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 1:207 lid 1 aanhef Pro en sub b BW het ouderschap van een persoon, ook als deze is overleden, door de rechtbank kan worden vastgesteld op verzoek van het kind, op de grond dat deze de verwekker is van het kind. Aan de mogelijkheid voor het kind om door middel van gerechtelijke vaststelling het ouderschap te vestigen, is geen termijn verbonden. Dit betekent dat het kind een in tijd onbeperkte mogelijkheid tot gerechtelijke vaststelling van het ouderschap krijgt. Gerechtelijke vaststelling van het ouderschap is ook mogelijk na overlijden, zolang voor de rechtbank komt vast te staan dat de betreffende persoon de verwekker is. Gezien het vorenstaande is verzoeker ontvankelijk in zijn verzoek.
2.5.
De rechtbank overweegt dat op het kind dat de gerechtelijke vaststelling van het ouderschap verzoekt hierover de stelplicht en de bewijslast rust. De wet schrijft niet voor dat uitsluitend DNA-onderzoek enig en genoeg bewijs van verwekkerschap kan opleveren. Ook op grond van andere door verzoeker of familieleden aangedragen feiten kan de rechtbank tot het oordeel komen dat de heer [naam vader] de verwekker en vader van verzoeker is.
2.6.
In dit geval heeft verzoeker zelf op de zitting verklaard over het vaderschap van de heer [naam vader] , het contact dat hij vanaf 2005 met hem heeft gehad en dat hij in de winter 2010/2011 bij hem heeft gewoond. Verder heeft hij op de zitting foto's laten zien van zijn vader en van hen samen. Ook hebben de broer van de heer [naam vader] en zijn vrouw op de zitting verklaard dat het in de familie bekend was dat zijn broer een derde kind had. Zij hebben aangegeven dat zij verzoeker bij de begrafenis van de heer [naam vader] voor het eerst hebben ontmoet en dat zij overtuigd zijn dat verzoeker, mede op de gelijkenis in uiterlijk, verwekt is door de heer [naam vader] . De rechtbank overweegt dat voornoemde verklaringen afkomstig zijn van derden die niet direct betrokken zijn geweest bij de verwekking. Verder overweegt de rechtbank dat verzoeker de vaststelling van het ouderschap al veel eerder, bij leven van de heer [naam vader] , had kunnen regelen en dat zijn wens om het ouderschap nu nog gerechtelijk vast te leggen vooral lijkt te zijn ingegeven vanuit financiële motieven en er kennelijk ook aanzienlijke financiële belangen zijn. Gelet op de verregaande en onomkeerbare gevolgen van de gerechtelijk vaststelling van het ouderschap heeft de rechtbank behoefte om via DNA-onderzoek zo mogelijk met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vast te stellen of de heer [naam vader] de verwekker is.
2.7.
Voor het gelasten van een DNA-onderzoek is noodzakelijk en voldoende dat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken feiten en omstandigheden aannemelijk is dat de betrokken persoon de verwekker van het kind
kanzijn. Op grond daarvan kan de rechter oordelen dat de inbreuk van een DNA-onderzoek op de lichamelijke integriteit van degene van wie lichaamseigen materiaal nodig is, gerechtvaardigd is. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van verzoeker en die van de broer van de heer [naam vader] en zijn vrouw voldoende zijn om aan te nemen dat de heer [naam vader] de verwekker van verzoeker
kanzijn.
2.8.
De rechtbank zal verzoeker opdragen zich uit te laten over de vraag welk DNA-onderzoek hij aangewezen acht, welke persoon/personen daarbij betrokken zou(den) moeten worden en of deze persoon/personen bereid is/zijn DNA-materiaal af te staan. Een DNA-onderzoek kan uitgevoerd worden door bijvoorbeeld Verilabs in Gouda of Sanquin (verschillende locaties in heel Nederland). De rechtbank overweegt dat vergelijking met het DNA-materiaal van een van de belanghebbenden het sterkste bewijs zal kunnen opleveren en ook voldoende is. Ten overvloede geeft de rechtbank verzoeker mee dat de kosten van dit onderzoek voor zijn rekening komen.
2.9.
De rechtbank zal belanghebbenden vervolgens in de gelegenheid stellen te reageren op bovengenoemde akte van uitlating van verzoeker.
2.10.
Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank haar beslissing aanhouden.

3.Beslissing

De rechtbank:
3.1.
bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden voor een pro forma behandeling op
19 januari 2023;
3.2.
draagt verzoeker op om zich uiterlijk
5 januari 2023uit te laten over de vraag welk DNA-onderzoek hij aangewezen acht, welke personen daarbij betrokken zouden moeten worden en of deze personen bereid zijn DNA-materiaal af te staan en daarover de rechtbank te informeren;
3.3.
stelt belanghebbenden in de gelegenheid om voor
19 januari 2023een reactie te geven op de akte van uitlating van verzoeker zoals in 3.2. bedoeld;
3.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven te Leeuwarden door mr. J.M. Coleo-Oude Lohuis, rechter, bijgestaan door de griffier en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2022.
fn: 679