ECLI:NL:RBNNE:2022:4938

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
25 november 2022
Publicatiedatum
29 december 2022
Zaaknummer
C/18/218647 KG RK 22-324
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek rechter wegens ontbreken van gegronde aanwijzingen voor partijdigheid

Verzoekster heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter die haar zaak behandelt, met het argument dat de rechter haar het woord ontnam en geen besluit nam over de relatieve bevoegdheid. De rechtbank beoordeelde het verzoek en concludeerde dat er geen concrete feiten zijn die wijzen op vooringenomenheid of een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor.

De rechtbank benadrukte dat een wrakingsverzoek alleen gegrond kan zijn bij bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing voor partijdigheid vormen, wat hier niet het geval was. De regievoering van de rechter, waaronder het stellen van vragen en de behandeling van geschilpunten, valt binnen de discretionaire bevoegdheid van de rechter.

Verder constateerde de rechtbank dat verzoekster eerder meerdere wrakingsverzoeken zonder succes heeft ingediend en dat zij het middel tot wraking lichtvaardig inzet. Daarom wordt bepaald dat toekomstige wrakingsverzoeken van verzoekster in deze zaak niet in behandeling worden genomen.

De beslissing is genomen door een meervoudige wrakingskamer en is in het openbaar uitgesproken op 25 november 2022. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt afgewezen en toekomstige wrakingsverzoeken van verzoekster worden niet in behandeling genomen.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Wrakingskamer
Zittingsplaats Groningen
zaaknummer: C/18/218647 KG RK 22-324
Beslissing van 25 november 2022
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker]verblijvende te [verblijfplaats]
hierna te noemen: verzoekster,
advocaat: Van der Weerd
strekkende tot de wraking van
mr. M. Jansen,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het proces-verbaal van 18 november 2022 waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld;
  • de schriftelijke reactie van de rechter van 21 november 2022.

2.Het wrakingsverzoek

2.1
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer C/17/186162
/ JE RK 22-793 waarin verzoekster als belanghebbende is aangemerkt.
2.2
Verzoekster heeft blijkens het proces-verbaal van het mondelinge verzoek aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat de rechter haar het woord heeft ontnomen door het geluid van de teams-verbinding uit te zetten, dat de rechter geen besluit neemt over de relatieve bevoegdheid en dat de rechter het tijdens de zitting alleen inhoudelijk heeft gehad over het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling.
2.3
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd.

3.De beoordeling

3.1
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
3.2
De rechtbank begrijpt de gronden van het wrakingsverzoek zo dat verzoekster haar bedenkingen heeft bij de regievoering van de behandeling van haar zaak door de rechter. Naar het oordeel van de rechtbank kan het wrakingsverzoek niet slagen. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing nooit grond kan vormen voor wraking. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak (HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413). Daarnaast overweegt de rechtbank dat de rechter regie voert over de zaken die aan hem/haar worden voorgelegd. Hierbij heeft de rechter een grote mate van vrijheid bij de bepaling van de wijze van behandelen. Slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden kan in de wijze waarop de rechter die taak heeft ingevuld een grond worden gevonden voor het oordeel dat zij jegens een van de partijen een vooringenomenheid koestert, of dat de bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Voor die zeer uitzonderlijke omstandigheden heeft de rechtbank geen aanknopingspunten kunnen vinden. Hierbij betrekt de rechtbank dat het de rechter vrij staat om partijen vragen te stellen, waarbij het kan gebeuren dat aan de ene partij meer vragen worden gesteld dan aan de andere partij of dat er meer aandacht wordt besteed aan een bepaald geschilpunt dan aan een ander geschilpunt. Evenmin is gebleken dat er op de zitting dan wel voorafgaand aan de zitting iets is gebeurd of dat de rechter iets heeft gezegd dat aanknopingspunten biedt voor de stelling van verzoekster dat de rechter bij haar de schijn van partijdigheid heeft gewekt.
3.3
Voor het overige heeft verzoekster geen feiten aangedragen waaruit vooringenomenheid van de rechter blijkt. Het wrakingsverzoek is daarom kennelijk ongegrond. Een mondelinge behandeling van het verzoek tot wraking kan op grond van artikel 4 lid 2 onder Pro a van het Wrakingsprotocol van de rechtbank Noord-Nederland achterwege blijven.
3.4
Verzoekster heeft in verschillende procedures al meerdere wrakingsverzoeken tegen verschillende rechters ingediend. Geen van deze wrakingsverzoeken is gehonoreerd. Dit jaar heeft de rechtbank bij beslissingen van 29 maart 2022, 24 juni 2022 en 18 oktober 2022 al een vijftal wrakingsverzoeken van verzoekster afgewezen dan wel ongegrond of niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank stelt vast dat verzoekster het middel tot wraking lichtvaardig, want zonder grond, inzet. Daarom zal de rechtbank bepalen dat verdere verzoeken tot wraking van de rechter die belast is met de behandeling van deze zaak van verzoekster niet in behandeling worden genomen.
3.5
Ten overvloede merkt de rechtbank nog het volgende op. De zittingsrechter heeft de bevoegdheid om een (wrakings)verzoek niet in behandeling te nemen. Gelet op het uitgangspunt dat een gewraakte rechter in het algemeen geen recht mag spreken in – kort gezegd – zijn eigen zaak en dat in verband daarmee een verzoek tot wraking behoort te worden behandeld door een meervoudige kamer waarin de rechter wiens wraking is verzocht geen zitting heeft, dient de zittingsrechter met terughoudendheid toepassing te geven aan deze bevoegdheid. Daarbij speelt onder meer een rol of de grond van de wraking in dezelfde aard is gelegen dan de eerdere wrakingsverzoeken. Hierbij verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Hoge Raad van 16 maart 2021 (ECLI:NL:HR:2021:370).
Zoals hierboven weergegeven heeft verzoekster in verschillende procedures en ten aanzien van verschillende rechters meerdere wrakingsverzoeken ingediend. Geen van deze wrakingsverzoeken heeft tot een gegronde wraking geleid. Gelet hierop en nu de rechtbank in deze beslissing heeft bepaald dat een volgend wrakingsverzoek in deze zaak niet in behandeling zal worden genomen overweegt de rechtbank dat het in de rede ligt dat de zittingsrechter zelf oordelende tot de conclusie kan komen dat een eventueel nieuw in te dienen wrakingsverzoek van verzoekster in deze zaak buiten behandeling kan worden gesteld en dat dit verzoek dan dus niet aan de wrakingskamer hoeft te worden voorgelegd.

4.De beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond;
  • bepaalt dat de procedure met zaaknummer C/17/186162 / JE RK 22-793 wordt voortgezet in de stand waarin het zich ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking, bevond;
- bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in deze zaak niet in behandeling zal worden genomen.
- beveelt onverwijlde mededeling van deze beslissing aan:
  • Verzoekster en haar advocaat;
  • mr. M. Jansen;
  • Regiecentrum Bescherming en Veiligheid.
Deze beslissing is gegeven door de mr. Th. A. Wiersma, voorzitter, mr. J.Y.B. Jansen en
mr. L.T. de Jonge, rechters in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.I. Havinga en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2022.
de griffier de voorzitter
(de griffier is verhinderd deze beslissing
mede te ondertekenen)
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.