Verzoekster heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter die haar zaak behandelt, met het argument dat de rechter haar het woord ontnam en geen besluit nam over de relatieve bevoegdheid. De rechtbank beoordeelde het verzoek en concludeerde dat er geen concrete feiten zijn die wijzen op vooringenomenheid of een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor.
De rechtbank benadrukte dat een wrakingsverzoek alleen gegrond kan zijn bij bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing voor partijdigheid vormen, wat hier niet het geval was. De regievoering van de rechter, waaronder het stellen van vragen en de behandeling van geschilpunten, valt binnen de discretionaire bevoegdheid van de rechter.
Verder constateerde de rechtbank dat verzoekster eerder meerdere wrakingsverzoeken zonder succes heeft ingediend en dat zij het middel tot wraking lichtvaardig inzet. Daarom wordt bepaald dat toekomstige wrakingsverzoeken van verzoekster in deze zaak niet in behandeling worden genomen.
De beslissing is genomen door een meervoudige wrakingskamer en is in het openbaar uitgesproken op 25 november 2022. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.