ECLI:NL:RBNNE:2022:5550

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
20 juli 2022
Publicatiedatum
16 oktober 2023
Zaaknummer
LEE 21/3462
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:15 AwbArt. 8:88 AwbArt. 8:91 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd inzake verzoek om schadevergoeding na onrechtmatig besluit

Eiser heeft een verzoek tot schadevergoeding ingediend tegen de Raad voor Rechtsbijstand, nadat de Raad het verzoek had afgewezen. Dit verzoek was gerelateerd aan een eerdere bestuursrechtelijke procedure waarin eiser beroep had ingesteld tegen een besluit van de Raad. De rechtbank heeft in die procedure het beroep van eiser ongegrond verklaard, waardoor het bestreden besluit niet als onrechtmatig kon worden aangemerkt.

Op grond van artikel 8:88, eerste lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een bestuursrechter alleen een bestuursorgaan veroordelen tot schadevergoeding indien sprake is van een onrechtmatig besluit. Omdat in de eerdere procedure het besluit niet onrechtmatig werd bevonden, is de rechtbank van oordeel dat zij niet bevoegd is om het verzoek om schadevergoeding te behandelen.

Eiser werd tijdens de zitting gehoord, terwijl de Raad niet was verschenen. De rechtbank adviseert eiser om de civiele rechter te benaderen voor het verhalen van de gestelde schade. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter H.J. Bastin en griffier J.A. van Loo op 20 juli 2022.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding wegens het ontbreken van een onrechtmatig besluit.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 21/3462

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juli 2022 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

de Raad voor Rechtsbijstand (de Raad)

Inleiding

Eiser heeft beroep ingesteld dat door de rechtbank is ingeboekt onder nummer 21/3347. Op 19 juli 2022 heeft de rechtbank uitspraak gedaan in deze zaak.
In het kader van voornoemde zaak, heeft eiser bij verweerder een verzoek om schadevergoeding ingediend. De Raad heeft dat verzoek bij besluit van 4 augustus 2021 afgewezen.
Eiser is op 6 augustus 2021 tegen dit besluit opgekomen bij de Raad.
De Raad heeft bij brief van 12 oktober 2021 de brief van eiser van 6 augustus 2021 onder verwijzing naar artikel 6:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doorgezonden naar de rechtbank.
De rechtbank heeft de zaak op 30 juni 2022 op zitting behandeld. Eiser is op de zitting verschenen. Verweerder is, zoals voorafgaand aan de zitting is aangekondigd, niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

1. De Raad heeft, zonder toelichting te geven, de aan hem gerichte brief van eiser van 6 augustus 2021 doorgezonden aan de rechtbank. Ter zitting heeft eiser ingestemd met het voorstel van de rechtbank om zijn verzoek om schadevergoeding aan te merken als een verzoek gebaseerd op de artikelen 8:88, eerste lid, onder a, en 8:91, eerste lid, van de Awb.
2. Op grond van het bepaalde in artikel 8:88, eerste lid, onder a, van de Awb, kan de bestuursrechter een bestuursorgaan veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende leidt of zal leiden als gevolg van een onrechtmatig besluit. Dat betekent in dit geval dat een schadevergoeding kan worden toegekend als het bestreden besluit in de zaak met procedurenummer 21/3347 een onrechtmatig besluit is.
3. In haar uitspraak van 19 juli 2022 heeft de rechtbank in de zaak met procedurenummer 21/3347 het beroep van eiser ongegrond verklaard, zodat er geen sprake is van een onrechtmatig besluit. De rechtbank is dan ook niet bevoegd om de Raad te veroordelen tot het vergoeden van schade.

Conclusie en gevolgen

4. De rechtbank is onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding. Eiser kan de civiele rechter benaderen om de door hem gestelde schade vergoed te krijgen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. van Loo, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2022.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een belanghebbende die het niet eens is met deze uitspraak, kan hiertegen hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening te treffen.