Eiser kreeg een vergoeding toegekend voor waardedaling van zijn woning door bodembeweging veroorzaakt door mijnbouwactiviteiten. De vergoeding werd berekend op basis van zijn 50% eigendomsrecht, mede omdat hij en zijn ex-echtgenote gezamenlijk eigenaar waren geweest. Eiser stelde dat hij recht had op 100% van de vergoeding, omdat volgens hem de vordering op vergoeding was overgedragen in de akte van verdeling na echtscheiding.
De rechtbank onderzocht de akte van verdeling en concludeerde dat hoewel daarin sprake is van overdracht van vorderingen, niet expliciet is bepaald dat de vordering tot waardedaling of de vordering op het Instituut Mijnbouwschade Groningen was overgedragen. De uitleg van de cessiebepaling moet volgens de Haviltex-norm plaatsvinden, waarbij de redelijke verwachtingen van partijen centraal staan. De rechtbank vond dat verweerder in redelijkheid mocht besluiten alleen het aandeel van eiser in de woning te vergoeden.
Verweerder gaf aan dat indien de ex-echtgenote alsnog expliciet haar vordering overdraagt via een cessie, de vergoeding aan eiser kan worden uitgekeerd. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.