ECLI:NL:RBNNE:2022:682
Rechtbank Noord-Nederland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging last onder dwangsom wegens vernieling dassenburcht en overtreding Wet natuurbescherming
Eiser voerde bezwaar aan tegen een last onder dwangsom opgelegd door gedeputeerde staten van Fryslân wegens overtreding van artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet natuurbescherming (Wnb) door het vernielen van een dassenburcht tijdens kap- en snoeiwerkzaamheden zonder vereiste melding. De rechtbank stelde vast dat de werkzaamheden plaatsvonden zonder melding en dat een ecologisch rapport aantoonde dat de dassenburcht en de essentiële vegetatie waren beschadigd.
De kern van het geschil betrof de vraag of sprake was van opzet. Eiser stelde dat hij niet de bedoeling had de burcht te beschadigen en dat regulier onderhoud geen verstoring veroorzaakte. Verweerder stelde dat ook voorwaardelijke opzet geldt, waarbij eiser bewust de aanmerkelijke kans op beschadiging heeft aanvaard door onvoldoende zorgvuldigheid te betrachten.
De rechtbank oordeelde dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet valt en dat eiser bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de dassenburcht zou worden beschadigd. Het ecologisch rapport werd als deskundigenadvies erkend en niet weersproken. De rechtbank verwierp de enge uitleg van eiser over het begrip vernieling en bevestigde dat de aantasting van de ecologische functionaliteit van de burcht onder het verbod valt.
Daarmee was de last onder dwangsom terecht opgelegd en het beroep ongegrond. Een verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling toegewezen.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt de last onder dwangsom wegens vernieling van de dassenburcht en verklaart het beroep ongegrond.