ECLI:NL:RBNNE:2022:752

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
17 maart 2022
Publicatiedatum
17 maart 2022
Zaaknummer
18/930106-19
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 533 SvArt. 530 SvArt. 16 SvArt. 1:380 BWArt. 1:381 BW
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot schadevergoeding na beëindiging vervolging wegens ongeschiktheid verdachte

De rechtbank Noord-Nederland behandelde het verzoek van de verdachte tot vergoeding van schade als gevolg van voorlopige hechtenis. De vervolging tegen de verdachte werd beëindigd omdat hij vanwege ernstige geestelijke en fysieke beperkingen niet in staat was het strafproces te volgen, niet vanwege het ontbreken van ernstige bezwaren tegen hem.

De rechtbank oordeelde dat de voorlopige hechtenis terecht was gegeven en dat er geen gronden van billijkheid waren om schadevergoeding toe te kennen. De verdachte was ontvankelijk in zijn verzoek, ondanks de benoeming van een provisionele bewindvoerder en curatele, omdat hij met toestemming van zijn curator handelingen kon verrichten.

De rechtbank verwierp het standpunt van de verdediging dat de lange duur van de procedure en de situatie van de verdachte schadevergoeding rechtvaardigden. Ook het subsidiaire verzoek tot vergoeding over een eerdere periode werd afgewezen wegens onvoldoende kans van slagen van het beroep op schorsing van vervolging en adequaat onderzoek.

De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2022 door de meervoudige raadkamer, waarbij de voorzitter en twee rechters betrokken waren.

Uitkomst: Verzoek tot schadevergoeding na voorlopige hechtenis wordt afgewezen wegens ontbreken van gronden van billijkheid.

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Assen
Rekestnummers: 21/65 en 21/66
Parketnummer: 18/930106-19
Beschikking van de meervoudige raadkamer d.d. 17 maart 2022 op het verzoekschrift ex artikel 533 en Pro 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ingediend door:

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] 1952 te [geboorteplaats] , verblijvende [adres] , in deze woonplaats kiezende ten kantore van zijn advocaat mr. R.P. Snorn, Burgemeester Falkenaweg 58-102, 8442 LE Heerenveen.
Procesverloop
Het op 12 mei 2021 ter griffie ingekomen verzoek strekt tot vergoeding van schade geleden als gevolg van ondergane voorlopige hechtenis tot een bedrag van € 50.400,--.
Het verzoek strekt tevens tot het toekennen van de standaardvergoeding ten bedrage van
€ 340,- ten laste van de Staat voor de kosten van het opstellen en indienen van het verzoekschrift, eventueel te vermeerderen in geval van een zitting.
De rechtbank heeft kennis genomen van het verzoekschrift en het schriftelijke standpunt van het Openbaar Ministerie van 24 augustus 2021.
Op de openbare zitting van de meervoudige raadkamer van 3 maart 2021 zijn de gemachtigden van verzoeker, mr. Snorn en mr. J. Andonovski en de officier van justitie mr. R. de Graaf gehoord. Verzoeker heeft via zijn gemachtigde de rechtbank laten weten niet te zullen verschijnen.

Ontvankelijkheid van verzoeker in zijn verzoek tot schadevergoeding

Mr. Snorn heeft de ontvankelijkheid van verzoeker in zijn verzoek tot schadevergoeding aan de orde gesteld en daartoe op de zitting stukken overgelegd. Uit die stukken blijkt het volgende.
Op verzoek van het Openbaar Ministerie heeft de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen met betrekking tot verzoeker op 3 mei 2021 een provisioneel bewindvoerder benoemd over alle goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan verzoeker. De kantonrechter heeft iedere verdere beslissing aangehouden. Voorts komt uit de overgelegde stukken naar voren dat verzoeker bij beslissing van 23 november 2021 onder curatele is gesteld.
De omstandigheid dat met betrekking tot verzoeker op 3 mei 2021 een provisioneel bewindvoerder is benoemd brengt niet mee dat verzoeker op het moment van indienen van het verzoekschrift tot vergoeding van geleden schade handelingsonbekwaam was.
Verzoeker is daarom ontvankelijk in zijn verzoek.
Standpunten
Mr. Andonovski heeft op de zitting gereageerd op het standpunt van het Openbaar Ministerie en heeft aangegeven dat een sterke verdenking van het plegen van strafbare feiten op zichzelf onvoldoende is om te stellen dat er geen gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Dat verzoeker keuzes heeft gemaakt en handelingen heeft verricht waardoor hij het risico heeft genomen dat dit bekend zou worden en dat hierdoor een verdenking van strafbare feiten zou ontstaan acht de raadsvrouw onvoldoende onderbouwd door het Openbaar Ministerie. Uit de opstelling van verzoeker gedurende de voorlopige hechtenis valt niet af te leiden dat hij het voortduren daarvan aan zichzelf te wijten heeft gehad. Ook de lange duur van de strafprocedure is niet aan verzoeker te wijten.
Het verzoek moet integraal worden toegewezen aldus het standpunt van de raadsvrouw. De geestelijke en fysieke gesteldheid van verzoeker en de duur van de procedure zijn gronden van billijkheid om het verzochte toe te wijzen. Subsidiair is verzocht schadevergoeding toe te kennen over de periode 26 oktober 2020 tot 4 maart 2020 gelet op het tijdens de pro forma zitting van 26 oktober 2020 gedane beroep op artikel 16 Sv Pro.
De officier van justitie heeft ter zitting de vooraf schriftelijk ingediende standpunten gehandhaafd.
Dat standpunt houdt onder meer in dat er een sterke verdenking bestond dat verzoeker strafbare feiten had begaan en waarvoor de rechtbank gedurende de procedure ernstige bezwaren heeft aangenomen. De beslissing om verzoeker niet verder te vervolgen is enkel en alleen ingegeven door de uitzonderlijke en unieke medische toestand van verzoeker. De door verzoeker ondergane detentie is daarmee terecht geweest en er zijn geen gronden van billijkheid die het toekennen van schadevergoeding rechtvaardigen.

Motivering

Ontvankelijkheid
De benoeming van een provisionele bewindvoerder ex artikel 1:380 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) leidt niet tot handelingsonbekwaamheid (zie T&C aant 5). Derhalve was verzoeker ten tijde van de indiening van het verzoek tot schadevergoeding (d.d. 12 mei 2021) niet handelingsonbekwaam om een dergelijk verzoek in te dienen.
Ingevolge artikel 1:381 BW Pro is de onder curatele gestelde onbekwaam rechtshandelingen te verrichten voor zover de wet niet anders bepaalt. Ingevolge het derde lid van deze bepaling is de onder curatele gestelde bekwaam rechtshandelingen te verrichten met toestemming van zijn curator. De rechtbank ziet in het door de mr. Snorn overgelegde e-mailbericht voldoende bevestiging dat de curator benoemd bij beschikking van de Kantonrechter d.d. 23 november 2021 toestemming heeft verleend deze procedure te voeren c.q. voort te zetten. Derhalve is verzoeker ontvankelijk in zijn verzoek.
Verzoek schadevergoeding
In onderhavige zaak heeft de rechtbank bij vonnis van 4 maart 2021 de officier van justitie nietontvankelijk verklaard in de vervolging van verzoeker.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de vervolging van verzoeker niet langer gewenst is omdat bij verzoeker sprake is van zodanige fysieke en cognitieve beperkingen dat hij niet in staat is om het strafproces te volgen dan wel in voldoende mate de eventuele gevolgen te doorzien. De rechtbank heeft uit de rapportage van deskundigen geconcludeerd dat het voor verdachte onmogelijk is om op een effectieve wijze in het strafproces te participeren en dat verdachte met andere woorden ‘unfit to stand trial’ was.
Gelet op deze uitspraak is de zaak geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en is geen toepassing gegeven aan artikel 9a Sr.
Ingevolge artikel 533 Sv Pro kan de rechter op verzoek van de gewezen verdachte, indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel, of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten, hem een forfaitaire vergoeding ten laste van de Staat toekennen voor de schade welke hij ten gevolge van ondergane voorlopige hechtenis heeft geleden.
De rechtbank kan daartoe overgaan indien zij gronden van billijkheid aanwezig acht.
Uit het strafdossier kan blijken dat verzoeker - kort samengevat - ervan werd verdacht dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving, mishandeling van zijn kinderen, aan seksueel misbruik van zijn kinderen en witwassen. Voor deze verdenkingen heeft de rechtbank tot haar vonnis van 4 maart 2021 steeds ernstige bezwaren en ook gronden aanwezig geacht.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op de motivering in het hiervoor genoemde vonnis van 4 maart 2021 het beëindigen van de verdere vervolging enkel is gelegen in de persoon van verzoeker, te weten de geestelijke en fysieke beperkingen ten tijde van de vervolging en niet in de aan de voorlopige hechtenis ten grondslag gelegde ernstige bezwaren (en gronden) ter zake van de verdenking van strafbare feiten in de periode voorafgaand aan de vervolging. Ook ziet de rechtbank in de duur van de voorlopige hechtenis geen gronden van billijkheid om schadevergoeding toe te kennen.
Ten aanzien van het subsidiaire standpunt overweegt de rechtbank dat het beroep op artikel 16 Sv Pro (schorsing van de vervolging) niet reeds op voorhand kans van slagen had en dat nadere rapportage door deskundigen en een descente noodzakelijk werd geacht. Ook daarin ziet de rechtbank geen aanleiding om schadevergoeding toe te kennen, temeer nu dit onderzoek voldoende voortvarend is verlopen.
Concluderend komt de rechtbank tot het oordeel dat zij geen gronden van billijkheid aanwezig acht om het verzochte toe te wijzen.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. G. Eelsing, voorzitter, mrs. O.J. Bosker en M.A.A. van Capelle, rechters, bijgestaan door D.C. Witvoet, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2022.
Mrs. Bosker en Van Capelle zijn buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.