De voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Nederland heeft op 23 maart 2022 uitspraak gedaan in een zaak waarin verzoeker, een rijinstructeur, bezwaar maakte tegen de weigering van een Verklaring omtrent het gedrag (VOG). De rechtbank oordeelde dat het besluit van verweerder onvoldoende gemotiveerd was, met name omdat niet duidelijk werd gemaakt hoe de belangen van verzoeker waren afgewogen tegen het risico voor de samenleving.
Verzoeker had zijn voorlopige hechtenis geschorst gekregen en een positieve risicoanalyse van de reclassering was aanwezig. Zonder VOG kon hij zijn rijschool niet voortzetten, wat het voortbestaan van zijn bedrijf en de werkgelegenheid voor hemzelf en zijn partner bedreigde. De stelling van verweerder dat anderen de werkzaamheden konden overnemen werd niet overtuigend geacht.
De rechtbank besloot de weigering van de VOG te herroepen en bepaalde dat verweerder verzoeker uiterlijk op 28 maart 2022 in het bezit moest stellen van de VOG. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen omdat onmiddellijke uitspraak in de hoofdzaak werd gedaan. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.