Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
1.De procedure
2.Het standpunt van verzoeker
3.Het standpunt van mr. S.T. Kooistra
4.4. Beoordeling
5.5. De beslissing
mr. C.W. Couperus-van Kooten en in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2022.
Rechtbank Noord-Nederland
Verzoekster, moeder van een minderjarige, diende een wrakingsverzoek in tegen kinderrechter S.T. Kooistra die belast was met de behandeling van een zaak over beëindiging van ondertoezichtstelling van haar dochter. Het verzoek was gebaseerd op de vermeende vooringenomenheid van de rechter, onder meer omdat hij eerder een zaak van verzoekster behandelde en waarde hechtte aan het onderzoeksrapport van Fultura.
De kinderrechter stelde zich op het standpunt dat het verzoek niet-ontvankelijk was omdat er geen concrete feiten of omstandigheden waren die een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid konden rechtvaardigen. Het subjectieve oordeel van verzoekster was onvoldoende.
De rechtbank oordeelde dat de norm voor wraking is dat er uitzonderlijke omstandigheden moeten zijn die een zwaarwegende aanwijzing vormen voor vooringenomenheid of een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. De enkele eerdere behandeling door dezelfde rechter en de discussie over het onderzoek naar de minderjarige waren daarvoor niet voldoende.
Daarom verklaarde de rechtbank het wrakingsverzoek ongegrond en bepaalde dat de procedure wordt voortgezet zoals die was ten tijde van het verzoek. Een mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek werd achterwege gelaten.
Uitkomst: Het verzoek tot wraking van de kinderrechter is ongegrond verklaard en de procedure wordt voortgezet.