ECLI:NL:RBNNE:2023:1210

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
28 maart 2023
Publicatiedatum
30 maart 2023
Zaaknummer
22/2249
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 1 BpbArt. 2 Bpb
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking Wajong-uitkeringsbesluit

Verzoekster diende een aanvraag in voor een Wajong-uitkering die door het UWV op 16 december 2021 werd afgewezen. Na bezwaar verklaarde het UWV het bezwaar ongegrond op 19 mei 2022. Verzoekster stelde beroep in tegen dit besluit. Op 20 februari 2023 trok het UWV het bestreden besluit in en besloot verzoekster met terugwerkende kracht vanaf 30 juni 2021 in aanmerking te brengen voor een Wajong-uitkering.

Naar aanleiding van de intrekking trok verzoekster haar beroep in en verzocht de rechtbank het UWV te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. Het UWV stemde hiermee in conform het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). De rechtbank stelde vast dat verzoekster recht heeft op vergoeding van de proceskosten in de beroepsfase, waaronder de kosten van de door haar ingeschakelde deskundige voor een medische contra-expertise.

Hoewel de deskundige geen verslag heeft uitgebracht, achtte de rechtbank de inschakeling redelijk en besloot tot vergoeding van de helft van de gemaakte kosten (€ 1.073,88). De totale proceskostenvergoeding werd vastgesteld op € 1.910,88. De uitspraak werd gedaan door rechter P.G. Wijtsma op 28 maart 2023.

Uitkomst: Het UWV is veroordeeld tot vergoeding van € 1.910,88 aan proceskosten aan verzoekster.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 22/2249

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 maart 2023 in de zaak tussen

[naam] , uit Drachten, verzoekster

(gemachtigde: mr. E. Schutrups),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder
(gemachtigde: A.B. Froentjes).

Procesverloop

In het besluit van 16 december 2021 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) afgewezen.
In het besluit van 19 mei 2022 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
In het besluit van 20 februari 2023 heeft verweerder het bestreden besluit ingetrokken en in plaats daarvan besloten verzoekster met ingang van 30 juni 2021 in aanmerking te brengen voor een Wajong-uitkering.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoekster het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
Verweerder heeft de rechtbank meegedeeld dat hij akkoord gaat met een proceskostenveroordeling conform het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

Overwegingen

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Bpb. Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder tegemoet gekomen aan het beroep van verzoekster.
Verweerder heeft in zijn besluit van 20 februari 2023 een vergoeding van de door verzoekster in bezwaar gemaakte proceskosten opgenomen. De beoordeling hierna over de gevraagde proceskostenveroordeling beperkt zich daarom tot de beroepsfase.
Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. De kosten voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank op grond van het Bpb vast op € 837,-
(1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837,- met een wegingsfactor 1).
Verzoekster heeft ook verzocht om vergoeding van de kosten van de deskundige die zij heeft ingeschakeld voor een medische contra-expertise. Verzoekster heeft aangegeven dat deze kosten € 1.073,88 bedragen. Uit de overgelegde stukken blijkt dat verzoekster het Expertise Instituut te Apeldoorn heeft ingeschakeld voor het uitbrengen van een contra-expertise, dat zij de kosten van de contra-expertise (te weten € 2.147,75) vooruit heeft betaald, dat de afspraak die zij met het Expertise Instituut heeft gemaakt niet is doorgegaan vanwege de beslissing van verweerder om verzoekster alsnog in aanmerking te brengen voor een Wajong-uitkering en dat het Expertise Instituut in verband met dit laatste 50% van de door verzoekster gemaakte kosten (te weten € 1.073,88) aan haar heeft terugbetaald.
Op grond van artikel 1, aanhef en onder b, van het Bpb kan, voor zover hier van belang, een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Awb uitsluitend betrekking hebben op kosten van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht. Alhoewel in dit geval de deskundige die verzoekster heeft ingeschakeld geen verslag heeft uitgebracht, ziet de rechtbank toch aanleiding om verweerder tevens te veroordelen tot vergoeding van de kosten van deze deskundige. Zij gaat er daarbij van uit dat het inroepen van de deskundige door verzoekster redelijk was en de deskundige, indien verweerder zijn besluit van 20 februari 2023 niet zou hebben genomen, verslag zou hebben uitgebracht. De rechtbank acht verder de deskundigenkosten redelijk. Zij merkt daarbij op dat het bedrag van € 1.073,88 dat door verzoekster is opgevoerd iets minder is dan het bedrag vastgesteld ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bpb overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken. De kosten voor het inschakelen van een deskundige stelt de rechtbank daarom vast op € 1.073,88.
Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank verweerder veroordeelt in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van in totaal € 1.910,88.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.910,88.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van H. Siebers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.