Uit de bankrekeninggegevens van [verdachte] blijkt dat er huur betaald wordt aan verdachte
[medeverdachte 6] vanaf 7 november 2016. Uit deze gegevens blijkt verder dat verdachte [medeverdachte 4] eerst geldbedragen stort op de rekening van verdachte [verdachte], waarna verdachte [verdachte] de bedragen doorstort naar verdachte [medeverdachte 6]. De bedragen worden meestal kort na het ontvangen, gelijk doorbetaald aan [medeverdachte 6]. In totaal heeft verdachte [medeverdachte 6]
€ 124.000,00 ontvangen aan huur voor het pand aan de [adres] te Foxhol van verdachte [verdachte]. Er is door verdachte [verdachte] € 20.000,00 huur betaald aan het bedrijf “[bedrijf 2]”, de vorige eigenaar van het pand.
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.
Verdachte heeft vanaf oktober 2016 in totaal € 124.000,00 op zijn bankrekening bijgeschreven gekregen vanaf de bankrekening van medeverdachte [medeverdachte 4] en doorgestort naar de bankrekening van medeverdachte [medeverdachte 6] als huur voor het pand aan de [adres] te Foxhol. Uit het onderzoek naar de bankrekeningen van verdachte en medeverdachten
[medeverdachte 6], [verdachte] en [medeverdachte 7] blijkt dat zowel [medeverdachte 4] als [medeverdachte 7] veel contante stortingen doen. [medeverdachte 7] maakt vervolgens geld over naar de bankrekening van verdachte. Deze boekt de bedragen dan weer over naar medeverdachte [verdachte], die het vervolgens overmaakt naar medeverdachte [medeverdachte 6], de eigenaar van het pand in Foxhol. Vanaf begin 2018 worden de bedragen niet meer via de bankrekening van medeverdachte [verdachte] naar de bankrekening van medeverdachte [medeverdachte 6] overgemaakt. De bedragen komen vanaf dat moment van de rekeningen van verdachte, medeverdachte [medeverdachte 7] of van derden, die aan hen te linken zijn.
De rechtbank overweegt dat het een feit van algemene bekendheid is dat met de handel in verdovende middelen veel contant geld gemoeid is. Het gegeven dat er in het pand aan de [adres] te Foxhol een hennepkwekerij is aangetroffen, terwijl de huur voor het pand indirect wordt betaald door middel van (grote) contante geldstortingen, rechtvaardigt het vermoeden van witwassen van opbrengsten van uit misdrijf afkomstige geldbedragen. Ook het doorstorten op verschillende rekeningen (zowel zakelijk als privé), het betalen van huur terwijl hij zelf feitelijk geen partij is bij de huurovereenkomst en het ontvangen van een beloning voor het meewerken aan deze constructie wijzen op een witwasconstructie.
Verdachte heeft aangegeven dat hem gevraagd is om de huur voor het pand via zijn bankrekening te laten verlopen, dat hij het eigenlijk maar een constructie van niks vond, dat hij niet wist wie de feitelijke huurder was en ook de verhuurder niet kende, dat hij nooit heeft gevraagd waarom het op deze manier geregeld moest worden en dat hij geld heeft ontvangen voor zijn werkzaamheden. Naar het oordeel van de rechtbank is deze wijze van handelen naar uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het (als katvanger) meewerken aan een constructie waarbij illegaal verkregen geld wordt witgewassen, dat het – behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, waarvan de rechtbank niet is gebleken – niet anders kan dan dat verdachte wist dat het geld van misdrijf afkomstig was. Door te handelen zoals hij heeft gedaan heeft verdachte op zijn minst welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de geldbedragen van enig misdrijf afkomstig waren en dat hij zich aldus schuldig zou maken aan witwassen.
De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van de raadsman dat door vermenging niet meer sprake zou zijn van geld afkomstig uit enig misdrijf. Voor het contante geld dat op de rekeningen van medeverdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 7] is gestort, is geen concrete en verifieerbare verklaring gegeven en het betreft bovendien geen bedragen van ondergeschikte betekenis. Daarnaast worden deze telkens kort na ontvangst weer naar een andere rekening overgemaakt. Hierdoor is het geld tot op zekere hoogte te individualiseren (zoals ook blijkt uit de door de politie vastgestelde “paper trail”). Indien er al sprake is van enige vermenging van geld met een criminele herkomst met geld met een legale herkomst dan kan het vermengde vermogen op zijn minst worden aangemerkt als “gedeeltelijk” uit misdrijf afkomstig.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het onder 2 ten laste gelegde witwassen wettig en overtuigend bewezen met uitzondering van het bedrag van € 15.300,00 dat verdachte aan medeverdachte [medeverdachte 4] en/of [bedrijf 1] betaald zou hebben. Gelet op de periode en de frequentie van de betalingen aan verdachte kan ten slotte worden bewezen dat van het witwassen een gewoonte is gemaakt.