ECLI:NL:RBNNE:2023:1568

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
18 januari 2023
Publicatiedatum
19 april 2023
Zaaknummer
18-266457-21
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2:10 SvArt. 6:6:8 SvArt. 6:6:9 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring bezwaar tegen weigering voorwaardelijke invrijheidstelling wegens cannabisgebruik tijdens detentie

De veroordeelde is bij vonnis van 30 september 2022 veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf en kon op 31 januari 2023 in aanmerking komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling. Het openbaar ministerie besloot op 28 december 2022 om deze invrijheidstelling niet te verlenen. Namens de veroordeelde werd hiertegen bezwaar gemaakt, stellende dat het blowen tijdens detentie geen verband hield met het gepleegde delict en dat hij voldoende ondersteuning had voor terugkeer.

De rechtbank behandelde het bezwaar op 18 januari 2023 en hoorde de veroordeelde, zijn raadsman en de officier van justitie. De rechtbank oordeelde dat de veroordeelde tijdens zijn detentie cannabis bleef gebruiken en regelen, ondanks duidelijke waarschuwingen en beëindiging van het plusprogramma. Dit gedrag toonde onvoldoende bijzondere geschiktheid voor terugkeer in de maatschappij.

De rechtbank verwierp het argument dat het gebruik van cannabis alleen relevant is indien het verband houdt met het delict, omdat de wet dit niet vereist. Het openbaar ministerie heeft naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid besloten de voorwaardelijke invrijheidstelling te weigeren. Het bezwaar werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de weigering van voorwaardelijke invrijheidstelling wordt ongegrond verklaard vanwege het gebruik van cannabis tijdens detentie.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Leeuwarden
parketnummer : 18-266457-21
v.i. nummer : 89-000022-34
raadkamernummer : 23-000830
beslissing van de meervoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 6:6:8 van Pro het Wetboek van Strafvordering in de zaak van:

[veroordeelde],

geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats],
ingeschreven in de Basisiadministratie Personen op het adres [adres],
hierna te noemen: de veroordeelde,
raadsman mr. D. Eijpe, advocaat te Amsterdam.

Feiten

De meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden,
heeft de veroordeelde bij vonnis van 30 september 2022 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden. De veroordeelde kan, gelet op artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv), op 31 januari 2023 in aanmerking komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling.
Het openbaar ministerie heeft op 28 december 2022 beslist dat de veroordeelde niet voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld. Namens veroordeelde is een bezwaarschrift ingediend tegen deze beslissing.

Procedure

Het bezwaarschrift tegen de beslissing van het openbaar ministerie is op 9 januari 2023
- en daarmee tijdig - ingediend ter griffie van deze rechtbank.
Het openbaar ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 18 januari 2023 het bezwaar tijdens een openbare zitting van de raadkamer behandeld. Het openbaar ministerie werd vertegenwoordigd door mr. J.T.D. Stoffels. De rechtbank heeft de veroordeelde, zijn raadsman, en de officier van justitie op zitting gehoord.

Bezwaar

De veroordeelde kan zich niet verenigen met de beslissing van het openbaar ministerie om de veroordeelde niet voorwaardelijk in vrijheid te stellen.
Namens de veroordeelde is aangevoerd dat de enige concrete aanleiding die wordt aangedragen is dat veroordeelde een aantal keren disciplinair gestraft zou zijn omdat hij geblowd had. De raadsman stelt dat het veroordeelde niet duidelijk is waarom dit gegeven in de weg zou moeten staan van een voorwaardelijke invrijheidstelling en dat er geen enkel verband is tussen het blowen en het feit waarvoor hij is veroordeeld. Zijn vriendin kan hem ondersteunen in zijn terugkeer in de maatschappij en eventuele recidiverisico's kunnen worden opgevangen door bijzondere voorwaarden.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie in redelijkheid de beslissing heeft kunnen nemen omdat veroordeelde door zijn gedrag niet heeft laten zien dat hij beschikt over bijzondere geschiktheid tot terugkeer in de maatschappij. Veroordeelde scoorde meerdere malen op het gebruik van cannabis en hij heeft onvoldoende gewerkt aan activiteiten in het kader van zijn re-integratie. Het risico op recidive werd op het moment van het nemen van de beslissing hoog ingeschat. Wat de belangen van de slachtoffers betreft: een aantal slachtoffers heeft wensen ingediend ten aanzien van voorwaarden bij een eventuele invrijheidstelling.

Beoordeling

Bij het nemen van een beslissing over het verlenen van voorwaardelijke invrijheidstelling betrekt het openbaar ministerie de in artikel 6:2:10 lid 3 Sv Pro genoemde aspecten, waaronder de mate waarin en de wijze waarop de veroordeelde door zijn gedrag heeft doen blijken van een bijzondere geschiktheid tot terugkeer in de samenleving.
Op grond van het eerste lid van artikel 6:6:9 Sv Pro dient de rechtbank te onderzoeken of het openbaar ministerie bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen.
De rechtbank constateert dat uit de stukken voldoende naar voren komt dat veroordeelde tijdens zijn detentie niet de bijzondere geschiktheid heeft laten zien voor zijn terugkeer in de maatschappij. Hij is tijdens zijn detentie cannabis gaan regelen en heeft dit gerookt terwijl het hem duidelijk was dat het regelen en gebruiken van cannabis niet was toegestaan. Het daardoor beëindigen van het plusprogramma in juli 2022 was een stevige waarschuwing voor veroordeelde maar heeft er niet toe geleid dat hij niet meer ging blowen. In november 2022 is er toch nog een keer een positieve test geweest.
De stelling van de raadsman dat er enig verband zou moeten zijn tussen het gebruik van cannabis en het plegen van de onderliggende feiten, gaat niet op. De wet stelt dit niet als voorwaarde en het vloeit evenmin voort uit het recht.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het openbaar ministerie, bij afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen. Het bezwaarschrift moet dan ook ongegrond worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door
Mr. M. Brinksma, voorzitter,
Mr. G.C. Koelman en mr. F. van der Meulen, rechters,
in tegenwoordigheid van T.L. Komrij, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2023.
Deze beslissing is ondertekend door de voorzitter en de griffier.