ECLI:NL:RBNNE:2023:1675

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
18 april 2023
Publicatiedatum
24 april 2023
Zaaknummer
18-192870-20 ontneming
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel bij oplichting

De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 18 april 2023 een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde, voortvloeiend uit een eerdere veroordeling wegens vijf gevallen van oplichting.

De officier van justitie had aanvankelijk een bedrag van €9.459,00 gevorderd, maar wijzigde dit tijdens de zitting naar een symbolisch bedrag van €100,00. De verdediging stelde dat de vordering moest worden afgewezen omdat veroordeelde al betalingsregelingen met slachtoffers had getroffen en de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet vaststaat.

De rechtbank overwoog dat hoewel er aanwijzingen zijn dat veroordeelde voordeel heeft verkregen uit geldleningen aan slachtoffers, het dossier onvoldoende duidelijkheid biedt over de hoogte daarvan. Gezien de terugbetalingsregelingen achtte de rechtbank nader onderzoek niet opportuun en wees de vordering af.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af wegens onvoldoende vaststelling van het voordeel en getroffen terugbetalingsregelingen.

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
Parketnummer 18-192870-20
Beslissing van de meervoudige kamer d.d. 18 april 2023 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
in de zaak tegen

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats] , wonende [adres] , hierna te noemen: veroordeelde.

Procesverloop

De officier van justitie heeft op 26 januari 2023 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr), wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 9.459,00 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18-192870-20 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 4 april 2023, waarbij veroordeelde is verschenen, bijgestaan door mr. J.E. Versluis, raadsvrouw te Leeuwarden.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie, mr. J.G.F. van Boven, heeft ter terechtzitting zijn standpunt gewijzigd en gevorderd dat veroordeelde zal worden veroordeeld tot betaling aan de Staat van het voordeel, dat door de officier van justitie wordt geschat op een symbolisch bedrag van € 100,00.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit de vordering af te wijzen, omdat veroordeelde reeds een betalingsregeling heeft getroffen met drie aangevers en ook al een aantal andere slachtoffers in het geheel heeft afbetaald. Thans blijkt niet wat de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel is geweest en daarom moet de vordering worden afgewezen.

Overwegingen

De rechtbank heeft bij vonnis van heden met parketnummer 18-192870-20 veroordeelde veroordeeld ter zake van een vijftal oplichtingen. Oplichting is een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie.
Op grond van artikel 36e, derde lid, Sr kan op vordering van het openbaar ministerie bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien aannemelijk is dat dat misdrijf of andere stafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
Ter zake van het gedeelte van de vordering dat ziet op het wederrechtelijk verkregen voordeel dat veroordeelde jegens aangevers heeft verkregen dient dit deel van de ontnemingsvordering overeenkomstig het bepaalde in artikel 36e, negende lid, Sr, op het geschatte voordeel in mindering te worden gebracht. Immers heeft de rechtbank bij vonnis van heden ter zake van dezelfde civiele vordering een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Ter zake van het gedeelte van de vordering dat ziet op het wederrechtelijk verkregen voordeel dat veroordeelde jegens de 27 andere slachtoffers zou hebben verkregen overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank is van oordeel dat het dossier weliswaar aanwijzingen bevat dat de veroordeelde door geldleningen van hen te vragen hieruit enig wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, maar dat uit het onderzoek ter terechtzitting eveneens is gebleken dat veroordeelde sinds drie jaren bezig is om een deel van hen terug te betalen. Uit het thans voorliggende dossier kan niet zonder meer worden afgeleid wat de hoogte van het voordeel is geweest dat veroordeelde hieruit zou hebben verkregen. De rechtbank is van oordeel dat heropening van het onderzoek, teneinde alsnog nader onderzoek te laten verrichten naar het te dien aanzien verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel, mede gelet op de terugbetalingsregelingen die de veroordeelde met een deel van de slachtoffers heeft afgesproken, niet opportuun is.
Alles afwegend zal de rechtbank de vordering van de officier van justitie afwijzen.

Beslissing

Wijst de vordering van de officier van justitie af.
Deze uitspraak is gewezen door mr. A. de Jong, voorzitter, mr. M.M. Spooren en mr. B. Broerse, rechters, bijgestaan door mr. M. Linde, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 18 april 2023.