ECLI:NL:RBNNE:2023:1775

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
28 april 2023
Publicatiedatum
3 mei 2023
Zaaknummer
18/251593-21
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 onder C Opiumwet
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak medeplegen hennepteelt in professionele kwekerij

Op 17 augustus 2020 werd in een schuur bij de gezamenlijke woning van verdachte en haar partner een hennepkwekerij met 704 planten aangetroffen. Medeverdachte erkende de kwekerij te hebben ingericht en verklaarde alleen verantwoordelijk te zijn.

Verdachte verklaarde niet op de hoogte te zijn van de kwekerij, nooit in de schuur te zijn geweest en niets te hebben gemerkt van het telen van hennep door haar partner. De rechtbank overweegt dat voor het bewijs van opzet niet doorslaggevend is aan wie de hennep toebehoort, maar dat de drugs zich in de machtssfeer van verdachte moeten bevinden en dat verdachte wetenschap moet hebben van de aanwezigheid.

Hoewel verdachte toegang had tot de schuur en de kwekerij professioneel was opgezet met ventilatoren, lampen en een climate control, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat verdachte wetenschap had van de kwekerij. Er zijn geen andere bewijzen die haar wetenschap aantonen, noch aanwijzingen voor nauwe samenwerking met medeverdachte.

De officier van justitie en de verdediging hebben beiden vrijspraak bepleit. De rechtbank verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte vrij van medeplegen hennepteelt.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van medeplegen hennepteelt wegens onvoldoende bewijs van wetenschap.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18/251593-21
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 28 april 2023 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats],
wonende te [adres] ,
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 14 april 2023.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E. van der Meer, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D.P. Menting.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 17 augustus 2020 te Blije, in de gemeente Noardeast-Fryslân, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand/perceel aan [adres]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 704, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft eveneens vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.
Op 17 augustus 2020 is een hennepkwekerij met 704 hennepplanten aangetroffen in een vrijstaande schuur op het perceel van de gezamenlijke woning van verdachte en haar partner, medeverdachte [medeverdachte]. Medeverdachte [medeverdachte] heeft erkend dat hij de hennepkwekerij heeft ingericht en heeft verklaard dat hij alleen verantwoordelijk was voor de hennepkwekerij. Verdachte heeft verklaard dat zij niet op de hoogte was van de aanwezigheid van de hennepplanten; zij kwam nooit in de schuur en heeft nooit gemerkt dat haar partner zich in die schuur met het telen van hennep bezighield.
Vooropgesteld moet worden dat voor de vraag of een verdachte opzettelijk drugs aanwezig heeft gehad als bedoeld in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet, volgens bestendige jurisprudentie niet doorslaggevend is aan wie die drugs toebehoren. Evenmin hoeft sprake te zijn van enige beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van de verdovende middelen. Voldoende is dat de drugs zich in de machtssfeer van de verdachte bevinden en dat de verdachte wetenschap heeft van de aanwezigheid van de verdovende middelen, althans van de aanmerkelijke kans daarop.
Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] waren, naar eigen zeggen, de hoofdbewoners van de woning. Verdachte had aldus toegang tot alle in de woning aanwezige ruimten en de schuur. Verdachte stelt dat zij niet beschikte over een sleutel van de schuur, maar de rechtbank leidt hier niet uit af dat haar de toegang tot de schuur daadwerkelijk was ontzegd. In zoverre bevonden de hennepplanten die in de schuur zijn aangetroffen zich daarom in de machtssfeer van verdachte.
Vervolgens is een vereiste dat verdachte wetenschap moet hebben van de aanwezigheid van de hennepplanten. Daaronder is ook begrepen het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat die hennepplanten in een bepaalde ruimte aanwezig zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is het zeer opmerkelijk dat verdachte zich niet bewust was van de hennepkwekerij in de schuur achter de woning, zeker nu het een professioneel opgezette hennepkwekerij met 704 planten betrof. De kwekerij was daarnaast voorzien van ventilatoren, assimilatielampen en een Climate Control. Bovendien werd de stroom ten behoeve van de hennepkwekerij op legale wijze afgenomen, hetgeen geleid moet hebben tot hoge energierekeningen. Naar het oordeel van de rechtbank kan de verklaring van verdachte echter niet als geheel onaannemelijk terzijde worden geschoven, nu er voor het overige geen bewijsmiddelen zijn waaruit blijkt dat verdachte wetenschap heeft gehad of moest hebben van de achter de woning in de schuur aanwezige hennepkwekerij. Ook de voor medeplegen vereiste nauwe samenwerking blijkt niet uit het dossier. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van het ten laste gelegde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Spooren, voorzitter, mr. M. Brinksma en
mr. S.T. Kooistra, rechters, bijgestaan door mr. D.H. Röben, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 april 2023.
mrs. M. Brinksma, S.T. Kooistra en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.