In deze strafzaak heeft de officier van justitie een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ingediend tegen de veroordeelde, die zich schuldig heeft gemaakt aan het telen van hennep. De rechtbank baseerde haar oordeel op de verklaring van de veroordeelde en het proces-verbaal van de politie over de aantreffen van een hennepstekkerij.
De veroordeelde verklaarde dat hij in maart 2020 begon met het telen van hennep en dat hij tweemaal stekken heeft verkocht, waarbij gemiddeld twintig procent van de planten verloren ging. De opbrengst van de kleine en grote kweekruimtes werd berekend op €8.407,50, waar na aftrek van het verlies van twintig procent een bedrag van €6.727,50 overbleef.
De rechtbank stelde vast dat dit bedrag het wederrechtelijk verkregen voordeel vertegenwoordigt en legde de veroordeelde de verplichting op om dit bedrag aan de Staat te betalen. Tevens werd de maximale duur van gijzeling vastgesteld op 134 dagen. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Nederland op 28 april 2023.