De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 11 mei 2023 de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in de strafzaak tegen de veroordeelde, die eerder is veroordeeld voor gewoontewitwassen.
De officier van justitie vorderde een bedrag van €20.620,00, gebaseerd op het witgewassen geldbedrag dat door de veroordeelde gedurende meerdere jaren op haar rekening is gestort en waarvan geen legale herkomst is aangetoond. De verdediging stelde primair niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en subsidiair matiging van het bedrag tot circa €4.000 tot €6.000 wegens vermeende legale bronnen.
De rechtbank baseerde zich op het vonnis van de meervoudige strafkamer en een rapport van 8 juli 2021 over de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank verwierp het matigingsverzoek omdat de opgevoerde legale bronnen niet controleerbaar waren.
De rechtbank stelde het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €20.620,00 en legde de veroordeelde de verplichting op dit bedrag aan de staat te betalen. Tevens werd de maximale duur van gijzeling vastgesteld op 412 dagen. De uitspraak werd gedaan door mr. O.J. Bosker, voorzitter, mr. H. van der Werff en mr. J. Duiven, rechters.