AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens drugshandel en witwassen
De rechtbank Noord-Nederland heeft op 11 mei 2023 uitspraak gedaan in een zaak tegen een veroordeelde die werd vervolgd wegens drugshandel en gewoontewitwassen. De officier van justitie had gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel zou worden vastgesteld en ontnomen aan de veroordeelde.
Tijdens de terechtzitting van 13 april 2023 werd de vordering van de officier van justitie besproken, waarbij de verdediging geen verweer voerde tegen de ontnemingsvordering. De rechtbank baseerde haar beslissing op het vonnis van de meervoudige strafkamer en een rapport van 1 juli 2021 over de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Uit de bewezenverklaring blijkt dat de veroordeelde ruim vijf jaar handelde in heroïne en cocaïne en in die periode €136.946 heeft witgewassen. Van dit bedrag is de aanschafwaarde van de in beslag genomen en verbeurd verklaarde drugs (€60.592,44) afgetrokken, wat resulteert in een vastgesteld wederrechtelijk voordeel van €76.354.
De rechtbank legt de veroordeelde de verplichting op dit bedrag aan de staat te betalen. Tevens is de maximale duur van gijzeling vastgesteld op 1080 dagen, conform artikel 6:6:25 vanPro het Wetboek van Strafvordering. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer, waarbij één rechter afwezig was voor medeondertekening.
Uitkomst: De veroordeelde is verplicht tot betaling van €76.354 aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Uitspraak
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht Locatie Groningen
parketnummer 18/095747-21
beslissing van de meervoudige kamer d.d. 11 mei 2023 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
in de zaak tegen
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , hierna te noemen: veroordeelde.
Procesverloop
De officier van justitie heeft d.d. 18 november 2021 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van € 76.354,00 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18/095747-21 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 13 april 2023, waarbij zijn gehoord de officier van justitie mr. I. Kluiter, veroordeelde en zijn raadsman mr. J.P. Plasman.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld moet worden op € 76.354,00. Dit betreft het geldbedrag dat door veroordeelde is witgewassen met aftrek van de aanschafwaarde van de bij veroordeelde inbeslaggenomen heroïne en cocaïne.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van de ontnemingsvordering geen verweer gevoerd.
Bewijsmiddelen
Met betrekking tot het door veroordeelde verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel gebruikt de rechtbank als bewijsmiddelen:
de in het vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank van 11 mei 2023 in de onderliggende strafzaak opgenomen bewijsmiddelen;
het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 1 juli 2021.
Beoordeling
Bij vonnis van 11 mei 2023 in de strafzaak met parketnummer 18/095747-21 is veroordeelde onder meer veroordeeld wegens het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onderPro B van de Opiumwet gegeven verbod en gewoontewitwassen.
Op grond van deze veroordeling kan aan veroordeelde de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit de baten van de ingevolge dat vonnis bewezenverklaarde feiten.
In de hoofdzaak is bewezen verklaard dat veroordeelde gedurende ruim vijf jaar heeft gehandeld in heroïne en cocaïne. Ook is bewezen verklaard dat hij over dezelfde periode een bedrag van € 136.946,00 heeft witgewassen. Bij de berekening van dit bedrag zijn ook excessieve uitgaven meegenomen, namelijk de aanschaf van de heroïne en cocaïne die zijn aangetroffen in de woning van veroordeelde. Dit gaat tezamen om een waarde van
€ 60.592,44. Nu deze drugs in beslag zijn genomen en verbeurd zijn verklaard, zullen de kosten die veroordeelde hiervoor heeft gemaakt, afgetrokken worden van het wederrechtelijk voordeel.
Dit resulteert in de schatting van wat veroordeelde aan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten op € 76.354,00 (€ 136.946,00 - € 60.592,00).
Toepassing van de wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Beslissing
Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 76.354,00.
Legt [veroordeelde] voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van € 76.354,00 (zegge: zesenzeventigduizend driehonderd vierenvijftig euro) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 vanPro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Deze uitspraak is gegeven door mr. O.J. Bosker, voorzitter, mr. H. van der Werff en mr. J. Duiven, rechters, bijgestaan door mr. G. Langius, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 11 mei 2023.
Mr. H. van der Werff is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.